AstronomieAntwoorden: Historische Kalenders

AstronomieAntwoorden
Historische Kalenders


[AA] [Woordenboek] [Antwoordenboek] [UniversumFamilieBoom] [Wetenschap] [Sterrenhemel] [Planeetstanden] [Reken] [Colofon]

1. De Egyptische kalender ... 2. De Babylonische kalender ... 3. De Griekse kalenders ... 4. De Juliaanse kalender ... 5. De Franse revolutionaire kalender ... 6. De Midden-Amerikaanse kalenders ... 7. De Gallische kalender

Deze bladzijde legt uit over historische kalenders. Aanverwante bladzijden gaan over:

De volgende kalenders worden op deze bladzijde besproken:

1. De Egyptische kalender

De Egyptische kalender werd ontwikkeld in het Egypte van de farao's, zo lang geleden dat ons daarover geen kennis bereikt heeft, maar waarschijnlijk 4000 of meer jaar geleden. De Egyptische kalender was een zonnekalender.

De Egyptenaren verdeelden de nacht (van zonsondergang tot zonsopkomst) al rond het jaar −2150 in twaalf delen van gelijke lengte, die dus in zomernachten korter waren dan in winternachten: zogenaamde ongelijke uren. Een vergelijkbare verdeling van de dag (tussen zonsopkomst en zonsondergang) is van voor ongeveer −1450 niet bekend. Een verdeling van een etmaal in 24 gelijke uren is bekend uit een tekst van ongeveer −1350 [Stephenson, p. 2] en is uiteindelijk ook in onze tijdrekening terecht gekomen.

Er is een oude tekst die beweert dat het Egyptische kalenderjaar vanaf het eind van de 17e dynastie van farao's (circa −1500) 365 dagen had, maar daarvoor 360 dagen [Verbrugghe, pp. 156, 179]. Met een jaar van 360 dagen zou het begin van het kalenderjaar in slechts ongeveer 70 jaar door alle seizoenen teruggelopen zijn, en met een jaar van 365 dagen in ongeveer 1460 jaar. Die laatste periode wordt nu de Sothisperiode genoemd, maar werd klaarblijkelijk van geen enkel belang geacht in het oude Egypte zelf.

Toen de Romeinen in het jaar 30 van onze jaartelling Egypte veroverden dwongen ze het gebruik af van een schrikkeldag elke vierde jaar, zodat de kalender toen wat gemiddelde jaarlengte betreft in de pas liep met de Juliaanse kalender die toen in Rome zelf gebruikt werd. De kalender van na de invoering van de schrikkeljaren wordt nu wel de Alexandrijnse kalender genoemd. De eerste dag van de Alexandrijnse kalender viel sindsdien altijd rond 29 augustus van de Juliaanse kalender.

Elk Egyptische kalenderjaar bevatte 12 maanden. De maanden van de Egyptische kalender met hun lengte staan in de volgende tabel.

Tabel 1: Maanden van de Egyptische Kalender

maand dagen
1 thoth 30
2 phaophi 30
3 athyr 30
4 choiak 30
5 tybi 30
6 mecheir 30
7 phamenoth 30
8 pharmuthi 30
9 pachon 30
10 payni 30
11 epiphi 30
12 mesore 30
(epagomenai) 5

De namen in de tabel zijn zoals genoemd door Claudius Ptolemaeus in zijn Almagest (van rond het jaar 150) [Toomer]. Elk Egyptische kalenderjaar heeft dus het zelfde aantal dagen (365), ook elke maand (30), met 5 extra dagen aan het eind (epagomenai genoemd door de oude Grieken) om het jaar vol te maken. Daarmee was de Egyptische kalender bijzonder eenvoudig in het gebruik, en werd deze kalender ook buiten Egypte veel gebruikt door astronomen, van de oude Grieken (Claudius Ptolemaeus rond het jaar 150) tot aan het eind van de Middeleeuwen, ongeveer 400 jaar geleden. Copernicus gebruikte hem nog!

2. De Babylonische kalender

De Babylonische kalender werd gebruikt in het oude Mesopotamië (tegenwoordig Irak en omgeving). De oorsprong van deze kalender is verborgen in grote ouderdom, waarschijnlijk ongeveer 3000 jaar geleden. De Babylonische kalender was een lunisolaire kalender met 12 of 13 maanden per jaar die elk 29 of 30 dagen hadden. De maanden van de Babylonische kalender staan in de volgende tabel.

Tabel 2: Maanden van de Babylonische Kalender

maand
1 nisannu
2 ajjaru
3 simanu
4 du`uzu
5 abu
6 ululu
ululu Ⅱ (schrikkelmaand)
7 tashritu
8 arahsamnu
9 kislimu
10 tebetu
11 shabatu
12 adaru
adaru Ⅱ (schrikkelmaand)

Schrikkelmaanden worden ingelast na ululu of adaru. Een nieuwe dag begon met zonsondergang, en een nieuwe maand met de eerste verschijning van de jonge maansikkel na Nieuwe Maan. Het begin van het jaar viel altijd rond het begin van de lente in het noordelijke halfrond.

Ten laatste rond het jaar −750 (in de Juliaanse proleptische kalender) verdeelden de Babyloniërs een etmaal in twaalf gelijke delen ("dubbele uren"), die elk weer in 30 gelijke delen verdeeld werden. De Babylonische rekenkunst was gebaseerd op het getal 60, en daar zijn onze verdelingen van een uur in 60 minuten en een minuut in 60 seconden uiteindelijk van afgeleid [Stephenson, p. 2].

Eerst werd het begin van maanden en jaren bepaald door waarnemingen, maar na verloop van tijd ontdekte men perioden en regels waarmee de maanstanden, en daarmee het begin van de maanden, nauwkeurig konden worden voorspeld. Vanaf ongeveer het jaar −400 werd de kalender door vaste regels bepaald, gebaseerd op de nauwe overeenkomst tussen 235 synodische maanmaanden en 19 tropische jaren. De stad Babylon werd verlaten en raakte in vergetelheid na ongeveer het jaar 100, en uiteindelijk raakte ook de Babylonische kalender in onbruik. Toen de Islam zich rond het jaar 650 over het gebied uitbreidde werd daar de bijbehorende Islamitische kalender ingevoerd, die van een heel ander type is. De Babylonische kalender leeft echter nog voort in de Joodse kalender, die praktisch dezelfde regels volgt en zelfs bijna dezelfde namen voor de maanden gebruikt.

3. De Griekse kalenders

De Grieken uit de oudheid gebruikten zowel gelijke als ongelijke uren [Stephenson, p. 3]. Elke Griekse stadstaat had zijn eigen kalender, met zijn eigen namen voor de maanden, en de inlassing van schrikkelmaanden in de lokale kalender had meer te maken met de lokale politiek dan met de wens om een regelmatige kalender te hebben. Dientengevolge is onze kennis van de preciese overeenkomst tussen data in Griekse kalenders en data in andere kalenders maar zeer beperkt.

4. De Juliaanse kalender

De oudste Romeinse kalender (vanaf misschien het jaar −700 in de Juliaanse proleptische kalender) was een maankalender, met in het begin misschien maar 10 maanden per kalenderjaar, hoewel dat niet duidelijk is. Het jaar begon toen met de maand maart, en september tot en met december waren toen de 7e tot en met 10e maand, zoals hun namen al doen vermoeden (septem = 7, octo = 8, novem = 9, decem = 10). Juli werd toen nog quintilis genoemd (quint = 5), and augustus was nog sextilis (sext = 6). Uiteindelijk (of misschien al meteen) verschenen januari en februari aan het eind van het kalenderjaar.

Rond −450 werd de kalender lunisolair, door af en toe een schrikkelmaand van 22 of 23 dagen in te lassen na het feest van de Terminalia op 23 februari. Na de schrikkelmaand volgden dan nog de ontbrekende dagen van februari. Het inlassen van schrikkelmaanden gebeurde echter met zo'n mate van willekeur en/of onachtzaamheid dat het kalenderjaar in de loop der tijd hopeloos uit de pas liep met de seizoenen. In die tijd hadden maart, mei, quintilis en oktober elk 31 dagen, februari had er 28, en de andere maanden hadden er 29, wat een totaal van 355 dagen oplevert.

Om de kalender weer terug in de pas met de seizoenen te krijgen laste Julius Caesar, leider van het Romeinse Rijk, in het jaar −45 verschillende schrikkelmaanden in, waardoor dat kalenderjaar een totale lengte van 445 dagen kreeg. Caesar veranderde de kalender met ingang van het jaar −44 in een zonnekalender van 365 dagen per jaar, door sommige maanden wat extra dagen te geven: januari, sextilis en december kregen er 2 dagen bij en werden 31 dagen lang, en april, juni, september en november kregen er 1 dag bij en werden zo 30 dagen lang. Caesar liet het jaar officieel beginnen met januari, zoals schijnbaar onofficieel al een tijdje de gewoonte was. Bovendien stelde hij de regel in dat elke vierde jaar een schrikkeldag moest worden ingelast op de plek waar vroeger de schrikkelmaanden werden ingelast, dus tussen 23 en 24 februari [Censorinus], [van Wijk, p. 51]. Het is mogelijk dat Caesar de voordelen van een regelmatige kalender inzag tijdens een langdurig bezoek aan Egypte in −45.

Historici hebben vastgesteld dat het jaar −44 geen schrikkeljaar was. Ter ere van Caesar besloot de Senaat van Rome om de maand quintilis in het vervolg juli (iulius) te noemen, maar Caesar heeft zelf de eerste julimaand niet meegemaakt, omdat hij op de 15e dag (de Idus) van de maart daarvoor (van het jaar −43) vermoord werd. Na de dood van Caesar lasten de ambtenaren bij vergissing elke drie in plaats van vier jaar een schrikkeldag in, waardoor de kalender toch weer uit de pas ging lopen met de seizoenen. Caesars opvolger, keizer Augustus, verhielp dit probleem door een tijd schrikkeldagen weer over te slaan, zodat uiteindelijk vanaf het jaar 8 de Juliaanse kalender zoals bedoeld werkte. Ter ere van keizer Augustus werd de maand sextilis naar hem augustus genoemd. De geschiedenis van de lengten, namen, en plaatsing van de maanden staan in de volgende tabel samengevat (volgens de laatromeinse schrijver Censorinus [Censorinus] [van Wijk, p. 51]).

Tabel 3: Maanden van de Juliaanse Kalender

rond −450 van −44 later Nederlands
11 ianuarius 29 1 31 januari
12 februarius 28 2 februari
1 mars 31 3 maart
2 aprilis 29 4 30 april
3 maius 31 5 mei
4 iunius 29 6 30 juni
5 quintilis 31 7 iulius juli
6 sextilis 29 8 31 augustus augustus
7 september 29 9 30 september
8 october 31 10 oktober
9 november 29 11 30 november
10 december 29 12 31 december
355 365

De Romeinen gebruikten een andere manier dan wij om dagen te tellen. Kijk voor een voorbeeld van de Romeinse manier van dateren op de Romeinse Kalendervoorbeeldpagina.

De Juliaanse kalender is zonder onderbrekingen in West-Europa in gebruik gebleven tot 1582, toen paus Gregorius XIII wat veranderingen aanbracht die de kalender (eerst alleen in de katholieke gebieden, later ook elders) in de Gregoriaanse kalender veranderde.

Op 17 augustus 2010 zal het de 750.000e dag zijn sinds de dood van Julius Caesar.

5. De Franse revolutionaire kalender

De Franse revolutionaire kalender werd gebruikt in Frankrijk na de Franse Revolutie, van 24 november 1793 tot 1 januari 1806 (toen Napoléon Bonaparte de leider van Frankrijk was geworden), en weer even van 6 tot 23 mei 1871 (in de Gregoriaanse kalender). Elk jaar begon met de herfstequinox en bestond uit 12 maanden van 30 dagen elk, gevolgd door 5 (of 6) dagen die buiten de maanden vielen. De namen van de maanden waren: Vendémiaire, Brumaire, Frimaire, Nivôse, Pluviôse, Ventôse, Germinal, Floréal, Prairial, Messidor, Thermidor en Fructidor, en de 5 of 6 losse dagen die daarop volgden werden jours sansculottides genoemd. Elke maand werd weer verdeeld in drie perioden van 10 dagen (décades), waarvan de laatste als een rustdag werd beschouwd. De arbeiders waren hier niet blij mee, want in de Gregoriaanse kalender hadden ze elke zevende dag een rustdag.

De epoche van de kalender (1 Vendémiaire van jaar 1) viel op de herfstequinox van 1793 in the Gregoriaanse kalender. Eerst werden de schrikkeljaren bepaald door de eis dat de herfstequinox altijd op 1 Vendémiaire moest vallen, maar dat levert voorspellingsproblemen op dus stelde men voor om een Gregoriaans-achtig stel schrikkelregels te gebruiken, maar de kalender werd afgeschaft vóór deze regels van kracht werden [Dershowitz].

6. De Midden-Amerikaanse kalenders

De volken van Anahuac (Midden-Amerika) gebruikten vóór de verovering door de Spanjaarden in de 16e eeuw veel verschillende kalenders, maar die waren allemaal gebaseerd op hetzelfde patroon, dat we hier aan de hand van de Tikal-kalenders van de Maya laten zien.

De kalenders van Anahuac hadden een periode van 20 dagen (door de Spanjaarden venteina genoemd; de inheemse naam is verloren gegaan) met een naam voor elke dag. De namen die in de Tikal-kalender werden gebruikt waren: Imix, Ik, Akbal, Kan, Chicchan, Cimi, Manik, Lamat, Muluc, Oc, Chuen, Eb, Ben, Ix, Men, Cib, Caban, Etz'nab, Cauac en Ahau. De kalenders hadden ook een periode van 13 dagen (door de Spanjaarden trecena genoemd) die genummerd waren. Deze twee perioden werden gelijktijdig doorlopen, zodat na een dag 6 Ik een dag 7 Akbal kwam, en daarna 8 Kan. Een gegeven dagaanduiding kwam na 260 dagen weer terug, en die periode werd tzolkin genoemd in de taal van Yucatan.

Tezelfdertijd was er ook nog een jaar van 365 dagen, verdeeld in 18 maanden van elk 20 dagen en een 19de maand van maar 5 dagen. Elke dag in elke maand werd genummerd (in de Tikal kalender te beginnen met 0, niet 1), zodat na dag 0 Pop de dag 1 Pop kwam, en daarna weer 2 Pop. De namen van de maanden in de jaarlijkse dagtelling waren, in de Tikal-kalender: Pop, Uo, Zip, Zot'z, Tzec, Xul, Yaxkin, Mol, Ch'en, Yax, Zac, Ceh, Mac, Kankin, Muan, Pax, Kayab, Cumku en Uayeb. Dit systeem wordt tegenwoordig wel de haab genoemd. Met dit jaar van 365 dagen was de kalender dus een zonnekalender.

Een gegeven jaar werd niet door een nummer aangeduid, maar (meestal) door de aanduiding van de eerste dag van het jaar in de tzolkin. Begon dus een jaar met de dag 6 Ik, dan heette het jaar ook zo. Het jaar daarna was dan 7 Manik, met het nummer één groter omdat 365 dagen gelijk is aan 28 trecenas plus één dag, en de maand vijf opgeschoven vanwege de 5 extra dagen aan het eind van het jaar. Het daaropvolgende jaar zou dan 8 Eb zijn, gevolgd door 9 Caban, en dan 10 Ik, en zo voorts.

De kalenders van Anahuac kenden geen schrikkeldagen, dus liep het jaar met ongeveer 1 dag per 4 jaar uit de pas met de seizoenen, net als de Egyptische kalender. Een gegeven dag werd meestal aangeduid met zijn posities in de tzolkin én de haab, bijvoorbeeld als 6 Ik 2 Pop, die werd gevolgd door 7 Akbal 3 Pop. Na 52 jaren van elk 365 dagen kwam een bepaalde tzolkin-haab-combinatie weer terug. Deze periode werd de hunab genoemd, en nu ook wel de kalenderronde of Maya-eeuw.

Naast deze twee tijdsaanduidingen kenden de volken van Anahuac ook nog de Lange Telling, met diverse perioden die elk weer uit kleinere perioden bestonden. De perioden en hun lengten waren:

Tabel 4: Tijdseenheden van de Centraal-Amerikaanse Lange Telling

1 kin
= 
1 dag
1 uinal
= 
20 kin
= 
20 dagen
1 tun
= 
18 uinal
= 
360 dagen
1 katun
= 
20 tun
= 
7 200 dagen (ongeveer 20 jaren)
1 baktun
= 
20 katun
= 
144 000 dagen (ongeveer 394 jaren)
1 may
= 
13 katun
= 
1 872 000 dagen (ongeveer 5125 jaren)
1 pictun
= 
20 baktun
= 
2 880 000 dagen (ongeveer 7885 jaren)
1 calabtun
= 
20 pictun
= 
57 600 000 dagen (ongeveer 157 700 jaren)
1 kinchiltun
= 
20 calabtun
= 
1 152 000 000 dagen (ongeveer 3 154 004 jaren)
1 alautun
= 
20 kinchiltuns
= 
23 040 000 000 dagen (ongeveer 63 080 082 jaren)

Slechts de eerste vijf van deze eenheden werden meestal in de Lange Telling gebruikt. Na 13 baktun = 20 may was de periode van de Lange Telling voorbij en begon er weer een nieuwe. Elke datum werd aangegeven door zijn (genummerde) positie in alle perioden, te beginnen bij de baktun en dan naar beneden naar de kin. De nummers begonnen bij 0. Een volledige datum bestond uit de posities in de Lange Telling, de tzolkin, en de haab.

De eerste dag van de Lange Telling, de epoche, was 0.0.0.0.0 4 Ahau 8 Cumku. Met welke dag in de Juliaanse proleptische kalender komt dat overeen? Na de verovering van Midden-Amerika door de Spanjaarden zijn veel van de geschriften van de inheemse volken door de veroveraars vernietigd, en zijn veel lokale gebruiken (zoals de inheemse kalender) onderdrukt als de nieuwe meesters vonden dat ze niet passend waren. Hierdoor is de preciese overeenkomst tussen de kalenders van Anahuac (en in het bijzonder de Lange Telling) en de kalenders van de Spanjaarden (Juliaans/Gregoriaans) verloren gegaan. Onderzoekers van deze kwestie hebben in de loop der tijd data tussen de jaren −3632 en −2593 van de Juliaanse proleptische kalender voorgesteld. Tegenwoordig is bijna iedereen het er over eens dat 6 september −3113 (Juliaans proleptisch; Juliaanse dag 584.283) de goede is, zoals voorgesteld in 1950 door Thompson.

Een datum, bijvoorbeeld op een gebouw of beeldhouwwerk, werd meestal gegeven in de tzolkin en haab. Soms werd ook een aanduiding van de Lange Telling toegevoegd, maar soms ook niet. Als er geen Lange Telling bij staat, dan is de datum niet eenduidig, want dan komt de zelfde aanduiding elke 52 jaar terug. Zo is er een Maya inscriptie (op de "Leyden Plaque" [Edmonson, p. 32], die nu in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden te vinden is) die de datum (omgerekend naar de Tikal-kalender) 1 Eb 0 Yaxkin toont. Deze datum is ten laatste nog op 8 augustus 1983 voorgekomen, en elke 18.980 dagen daarvoor. Welke is de goede? Gelukkig staat er ook een Lange Telling bij, van 8.14.3.1.12, en die komt overeen (aangenomen dat de Thompson-correlatie goed is) met 14 september 320.

1 januari 2000 kwam overeen met 12.19.6.15.2 11 Ik 10 Kankin. De Lange Telling 0.0.0.0.0 komt weer terug op 21 december 2012, maar die is nog te onderscheiden van de epoche omdat de komende 0.0.0.0.0 4 Ahau 3 Kankin is, en de epoch 0.0.0.0.0 4 Ahau 8 Cumku was. De eerste keer dat 0.0.0.0.0 4 Ahau 8 Cumku weer terugkomt is in het jaar 34.302.

7. De Gallische kalender

Onze kennis van de Gallische kalender is bijna geheel gebaseerd op de "Kalender van Coligny" die vijf jaren beschrijft, waarschijnlijk uit ongeveer de 1e eeuw stamt, en in 1897 gevonden werd in de buurt van Coligny in Frankrijk. Deze Gallische kalender was een gebonden maankalender met 12 of 13 maanden per jaar. De namen van de maanden en hun lengte staan in de volgende tabel. (Het is natuurlijk mogelijk dat de namen of zelfs de hele kalender in andere streken of tijden anders waren.)

Tabel 5: Maanden van de Gallische Kalender

naam dagen
Ciallos 0/30
1 Samon 30
2 Dumann 29
3 Riuros 30
4 Anagantios 29
5 Ogron 30
6 Cutios 30
Ciallos 0/30
7 Giamon 29
8 Simiuisonn 30
9 Equos 29
10 Elembiu 29
11 Edrin 30
12 Cantios 29

De maand Ciallos was een embolistische maand die per vijf jaar eenmaal voor Samon werd ingevoegd, en tweeënenhalf jaar later eenmaal tussen Cutios en Giamon. Deze Gallische kalender had dus elke 2,5 jaar een embolistische maand. Het kalenderjaar was hiermee of 354 of 384 dagen lang, met een gemiddelde lengte van 366 dagen. Om op de lange duur in de pas te blijven met de seizoenen moest er af en toe een embolistische maand weggelaten worden, maar of en hoe dat gebeurde is niet bekend.

Het is niet duidelijk bij welke maanstand elke maand begon. Sommige mensen denken bij Volle Maan, anderen bij Nieuwe Maan, en weer anderen bij Eerste Kwartier. De Kelten telden een etmaal als een nacht en de daaropvolgende dag. De moderne westerse kalender telt dagen, maar de Kelten telden nachten.

Het is niet helemaal duidelijk in welke tijd van het jaar elke maand van de Gallische kalender viel. Veel mensen denken dat de Coligny-maand Samon ongeveer overeenkomt met de moderne Ierse maand Samhainn (November), maar John Bonsing maakt aannemelijk [Bonsing] dat daarvoor geen deugdelijk bewijs is en dat modern Samhainn overeenkomt met de Coligny-maand Giamon, en het begin van het Gallische jaar (met de maand Samon of de voorgaande embolistische maand Ciallos) met ongeveer het midden van de moderne maand mei.

Meer lezen? In het Engels:


Ga naar de algemene kalenders of de moderne kalenders.

[AA]

talen: [en] [nl]

//aa.quae.nl/nl/antwoorden/historische_kalenders.html;
Laatst vernieuwd: 2017-04-24