AstronomieAntwoorden
AstronomieAntwoordenBoek: De Maan


[AA] [Woordenboek] [Antwoordenboek] [UniversumFamilieBoom] [Wetenschap] [Sterrenhemel] [Planeetstanden] [Reken] [Colofon]

1. De Maan ... 2. De Maan heeft geen natuurlijke manen ... 3. De Maan valt wel naar maar niet op de Aarde ... 4. De Maan dag en nacht ... 5. Als de Maan verdween ... 6. Invloed van de Maan ... 6.1. Directe invloed van de Maan ... 6.2. Indirecte invloed van de Maan ... 6.3. Verband met de maanstand ... 6.4. De maanstand kan invloed hebben op... ... 6.4.1. ... slapeloosheid ... 6.5. De maanstand kan een heel klein beetje invloed hebben op... ... 6.5.1. ... het weer ... 6.6. De maanstand heeft geen invloed op... ... 6.6.1. ... het geslacht van kinderen ... 6.6.2. ... de geboortedatum van kinderen ... 6.6.3. ... het overlopen van een glas water ... 6.7. De Maan en de temperatuur ... 7. Mensen op de Maan ... 8. De middelbare Maan ... 9. De oppervlaktekenmerken van de Maan ... 10. Maanstenen ... 11. De vorming van de Maan ... 12. Hitte van de Maan ... 13. De Maan heeft geen dampkring ... 14. De kern van de Maan ... 15. Reizen naar de Maan ... 16. De grootte van de Maan ... 17. De afstand van de Maan ... 18. Hoe vol is de Volle Maan? ... 19. Data van volle en nieuwe maan ... 20. Maanstanden en sterrenbeelden ... 21. De richting van maansopkomst en maansondergang ... 22. De richting van de Volle Maan ... 23. De maand ... 24. Dag en nacht op de Maan ... 25. De oriëntatie van de maansikkel ... 26. Het verlichte deel van de rand van de Maan ... 27. De voorkant van de Maan ... 28. Namen van volle manen ... 29. Naam van de Maan overdag ... 30. Volle maan over de hele wereld ... 31. De Helderheid van de Maan ... 32. Conjuncties van de Maan met planeten ... 33. Wordt de Maan heter?

Deze bladzijde beantwoordt vragen over de Maan. De vragen zijn:

De Hemelbol en Horizon-bladzijde legt uit hoe de Maan langs de hemel beweegt en hoe het dan zit met de schijngestalten van de Maan.

[134]

1. De Maan

De Maan is de enige natuurlijke satelliet van de Aarde en draait dus in een baan rond de Aarde. We kunnen de Maan alleen zien omdat hij licht van de Zon weerkaatst, net zoals we andere manen of planeten alleen kunnen zien omdat ze licht van de Zon weerkaatsen. De Maan is gemiddeld de helft van de tijd onder de horizon (en dus niet te zien), is overdag gemiddeld de helft van de tijd te zien, en is ook 's nachts gemiddeld de helft van de tijd te zien.

Lees de Hemelbol en Horizon-bladzijde voor hoe het zit met de schijngestalten van de Maan.

[397]

De afstand tussen de middelpunten van de Aarde en de Maan is gemiddeld ongeveer 384.400 km, maar kan variëren tussen ongeveer 356.400 en 406.700 km.

De Maan beweegt weg van de Aarde met een gemiddelde snelheid van 3,8 cm per jaar, maar de maandelijkse periodieke verandering in de afstand is ongeveer 40.000 km, wat veel groter is. De verandering op lange termijn gaat veel langzamer dan de verandering op korte termijn.

[417]

De Maan komt elke dag op een andere tijd op en gaat ook elke dag op een andere tijd weer onder, omdat de Maan elke dag aan de hemel een flink stuk opschuift tussen de sterren. Zie vraag 63.

[415]

Een methode om de positie van de Maan bij benadering uit te rekenen wordt vermeld op de Rekenbladzijde over Posities aan de Hemel.

[441]

2. De Maan heeft geen natuurlijke manen

Als de Maan zelf nog andere natuurlijke manen heeft, dan moeten die erg klein zijn. Er zijn tot nu toe geen manen rond de Maan ontdekt. Een maan met een diameter van 5 km die rond de Maan draaide en gemaakt was van hetzelfde materiaal als de Maan zou aan de hemel ongeveer net zo helder zijn als de helderste sterren, dus zelfs zo'n klein maantje zou al lang geleden ontdekt zijn.

Als zo'n maantje een diameter had van 500 m, dan zou het zo helder zijn als de zwakste sterren die men zonder verrekijker of telescoop vanaf een donkere plek kan zien, dus zo'n maantje zou waarschijnlijk inmiddels ook al lang ontdekt zijn.

Pluto werd in 1930 ontdekt met een helderheid die nog eens 1200 maal kleiner was dan dat. Als het tweede maantje een doorsnede had van pakweg 12 meter dan zou het net zo zwak lijken als Pluto, maar ook zo'n klein maantje had men al in 1930 kunnen ontdekken.

Tegenwoordig zijn de telescopen nog veel krachtiger en zijn er vooral verschrikkelijk veel meer telescopen dan in 1930, dus lijkt het me zeer waarschijnlijk dat zelfs een maantje van maar 12 meter doorsnee nu al door veel (amateur-)astronomen gezien zou zijn.

Het Spacewatch-project (//spacewatch.lpl.arizona.edu/scopes.html) zoekt volautomatisch de hemel af naar hemellichamen die misschien met de Aarde zouden kunnen botsen. Hun telescopen kunnen hemellichamen ontdekken die nog eens 1600 keer zwakker zijn dan Pluto. Een tweede maantje zou een doorsnee moeten hebben van minder dan pakweg 30 centimeter om niet ontdekt te worden door Spacewatch.

Een maantje dat rond onze Maan draait kan niet verder van de Maan vandaan draaien dan ongeveer 35.000 km, ongeveer 10 maal de diameter van de Maan, want banen die verder van de Maan af zijn zouden zo erg door de zwaartekracht van de Aarde verstoord worden dat maantjes in zulke banen waarschijnlijk al lang het Zonnestelsel in ontsnapt waren of op de Maan of Aarde gevallen zouden zijn. (De "getijdegrens" tussen de Aarde en de Maan ligt ongeveer 35.000 km vanaf de Maan.)

De Maan heeft wel kunstmatige manen (kunstmanen) gehad, zoals Clementine en de Lunar Prospector die vanaf de Aarde naar een baan rond de Maan gestuurd werden om de Maan te onderzoeken. Het is mogelijk dat sommige van die satellieten nog steeds rond de Maan draaien, hoewel ze meestal expres op de Maan neerstorten als hun missie voorbij is.

[437]

3. De Maan valt wel naar maar niet op de Aarde

De Maan valt de hele tijd om de Aarde heen. Als de Aarde de Maan niet aantrok dan zou de Maan ongeveer langs een rechte lijn de ruimte in verdwijnen. De aantrekking tussen de Aarde en de Maan buigt de Maan van die rechte lijn af naar de Aarde toe (en de Aarde van een rechte lijn af naar de Maan toe), maar niet genoeg om de Maan op de Aarde te laten vallen.

Anders gezegd: De Maan heeft een grote zijwaartse snelheid (niet naar de Aarde toe gericht, maar juist loodrecht op die richting), dus als de Maan een stukje naar de Aarde toe valt dan is de Maan intussen ook een stukje opzij geschoven waardoor hij toch weer ongeveer even ver van de Aarde is als tevoren.

[404]

4. De Maan dag en nacht

De Maan die we soms overdag zien is dezelfde die we soms 's nachts zien, en zowel overdag als 's nachts kunnen we alleen dezelfde kant van de Maan zien. De vlekken die 's nachts op de Maan te zien zijn zijn ook overdag op de Maan te zien. Ook is de Maan overdag bijna even helder als tijdens de nacht ervoor of erna. De Maan lijkt overdag niet helder omdat we hem dan vergelijken met de heldere blauwe hemel, maar lijkt 's nachts wel helder omdat de hemel dan heel donker is.

[389]

5. Als de Maan verdween

Als de Maan verdween dan zouden eb en vloed met ongeveer tweederde in sterkte afnemen. Ze zouden er nog wel zijn, omdat ook de Zon bijdraagt aan de getijden (zie de samenstandbladzijde).

De Maan zorgt er voor dat de stand van de draaias van de Aarde niet te veel kan afwijken van zijn huidige stand, zodat de seizoenen niet al te veel kunnen afwijken in sterkte van hun huidige toestand. Als de Maan zou verdwijnen, dan zou de verandering in de stand van de aardas niet meer zo beperkt zijn en zou de as over perioden van duizenden jaren regelmatig veel schuiner staan dan nu, met navenant veel grotere verschillen tussen zomer en winter en dus grote invloed op het klimaat, zoals ook Mars (zonder grote maan) die heeft gehad. Zie //adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=1993Natur.361..615L, //adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=2002A%26A...384..689E en //arxiv.org/abs/astro-ph/0112399 (bij //adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=2001EM%26P...85...61B).

Ik heb gehoord dat er diersoorten zijn die ritmen van hun leven deels afgestemd hebben op de maanstanden en daarvoor zou de plotselinge verdwijning van de Maan problemen kunnen geven. Ik meen ooit gehoord te hebben dat sommige schildpadden bij een bepaalde volle maan hun eieren op het strand komen leggen, en dat het nachtelijke leven van rendieren en soortgelijke dieren op de maanstand is afgestemd. In ieder geval lijken vissers en jagers op de maanstand te letten, maar dat zou ook kunnen zijn omdat ze zelf wat willen kunnen zien. Ik ben echter geen bioloog, visser of jager, dus weet ik de details hiervan niet.

Het is bijzonder onwaarschijnlijk dat de Maan zomaar zal verdwijnen. Alleen de nauwe passage van een hemellichaam van het formaat van een planeet zou de Maan aan de grip van de zwaartekracht van de Aarde kunnen onttrekken, en zo'n gebeurtenis zou ook de baan van de Aarde zelf merkbaar kunnen veranderen dus is dan de verdwijning van de Maan misschien niet eens het belangrijkste. Berekeningen aan de toekomst van de planeetbanen duiden erop dat zo'n gebeurtenis zich de komende miljarden jaren niet zal voordoen (tenminste niet met een van de andere planeten van ons Zonnestelsel als verstoorder). Zie //adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=2002MNRAS.336..483I en //adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=1996CeMDA..64..115L.

[382]

6. Invloed van de Maan

Er zijn mensen die beweren dat de Maan of de maanstand (volle maan, nieuwe maan) invloed heeft op allerlei zaken waar je de Maan misschien niet meteen bij zou verwachten, zoals de geboortedatum van kinderen, of hoeveel geluk je hebt, of het weer. Is dat zo? Er wordt dan wel eens de suggestie gewekt dat dat vanwege speciale maankrachten is waar de wetenschap niets van weet of van wil weten. Kan dat waar zijn?

6.1. Directe invloed van de Maan

De enige direct aanwijsbare invloeden die de Maan heeft op Aarde zijn door zijn zwaartekracht en door zijn licht. De zwaartekracht van de Maan veroorzaakt een deel van de getijden op Aarde. De directe invloed van de zwaartekracht van de Maan op mensen is veel kleiner dan de invloed van de zwaartekracht van aardse dingen die veel dichterbij staan, zoals huizen en auto's en andere mensen, en die invloed is al zo klein dat je het niet merkt. (Zie de samenstandbladzijde voor meer informatie hierover.) Maanlicht is teruggekaatst zonlicht en geeft ons soms 's nachts meer zicht, hoewel we daar tegenwoordig veel minder van afhankelijk zijn dan lang geleden, omdat we nu kunstlicht uit lantarenpalen en uit lampen in huis hebben.

6.2. Indirecte invloed van de Maan

Van deze directe invloeden komen indirecte invloeden. Zonder de getijden zouden er geen getijdegebieden zijn zoals de Waddenzee, met de bijbehorende planten en dieren en waterkrachtcentrales. Veel dieren laten de tijden waarop ze 's nachts naar voedsel zoeken of anderszins actief zijn er van afhangen of de Maan dan schijnt. De volle maan in de oogsttijd werd de Oogstmaan genoemd omdat bij het licht van die volle maan langer geoogst kon worden. Echter, voor al deze zaken is het niet belangrijk dat het de Maan is die de getijden of het licht geeft, maar alleen dat er iets is dat getijden of licht geeft.

Als een ding direct of indirect van de Maan afhangt, dan kunnen alle zaken die weer van dat ding afhangen ook weer indirect van de Maan afhangen. Als de akkerbouwer in de oogsttijd bij het licht van de volle maan langer doorwerkt, dan zal hij waarschijnlijk minder lang slapen dan gebruikelijk en dus de volgende dag meer vermoeid zijn dan normaal. Dat geeft dan een verband tussen de maanstand en de vermoeidheid van de akkerbouwer, hoewel er geen speciale vermoeidheidsstraling van de Maan komt die speciaal op akkerbouwerhersenen werkt. Die vermoeide akkerbouwer heeft dan misschien geen zin om de volgende dag zijn gebruikelijke kaartspelletje met de buren te spelen, dus is er dan ineens een verband tussen de maanstand en het al dan niet spelen van het kaartspel. De buren, die zelf geen akkers hebben, zien dat misschien al aankomen en hebben daarom maar niet de gebruikelijke cake gebakken die ze altijd tijdens het kaartspelen opeten, dus is er dan ineens een verband tussen de maanstand en het inkopen van cakebenodigdheden. En zo kunnen er hele indirecte verbanden ontstaan tussen dingen waarvan je dat op het eerste gezicht niet zou verwachten.

Het probleem met zulke sterk indirecte verbanden is dat het vaak zo goed als onmogelijk is om uit te zoeken waar ze nu vandaan komen. Als je merkt dat er een verband is tussen de maanstand en de suikeraankopen in een bepaald dorp, dan zul je niet meteen een verband leggen met de kaartspelmaatjes van een akkerbouwer in oogsttijd, vooral niet omdat er nog vele andere even indirecte manieren denkbaar zijn waarop er een verband zou kunnen zijn tussen de maanstand en suikeraankopen in het dorp, en misschien doen ze allemaal wel mee.

6.3. Verband met de maanstand

Als er iemand beweert dat er een verband is tussen een of andere zaak en de maanstand, dan zou je de volgende vragen moeten stellen:

Hoe zeker is het dat dat verband er echt is?

Bij veel van dit soort verhalen wordt geen bron genoemd, dus is het haast onmogelijk om na te gaan of dit verhaal op deugdelijk onderzoek gebaseerd is of dat iemand het uit zijn duim zoog.

Bovendien, als je twee zaken bekijkt die allebei met de tijd veranderen maar die niets met elkaar te maken hebben, dan zullen ze toch af en toe bij toeval tegelijk toenemen of afnemen of op een andere manier verbonden lijken. Als je toevallig tijdens zo'n periode die twee zaken vergelijkt zou je dus ten onrechte kunnen besluiten dat ze verbonden zijn.

Ook hebben mensen de neiging om onverwachte of rare dingen of dingen die bij hun eigen ideeën passen beter te onthouden en sneller door te vertellen. Als er bijvoorbeeld honderd onderzoekers kijken of er een verband is tussen de kleur van de ogen van baby's en de maanstand bij hun geboorte (om maar eens iets te noemen waarvan je niet verwacht dat er een verband is), en als ze een test gebruiken die 99% nauwkeurig is, dan zal waarschijnlijk een van die honderd onderzoekers bij toeval vinden dat er zo'n verband is, zelfs als er in werkelijkheid helemaal niet zo'n verband is en als alle onderzoekers nauwkeurig en eerlijk werken. Als alle onderzoekers hun resultaten onafhankelijk van elkaar bekend maken, dan zullen de resultaten van die ene onderzoeker die een verband vond waarschijnlijk veel meer aandacht krijgen dan de resultaten van de 99 onderzoekers die niets speciaals vonden. Het is dus veel waarschijnlijker dat jij zult horen van dat ene onderzoek dat een vreemd verband vond dan dat je zult horen van die 99 andere onderzoeken die geen vreemd verband vonden.

Hoeveel van de variatie in de zaak wordt verklaard door de maanstand?

Zelfs als er een wetenschappelijk goedgekeurd onderzoek is geweest waaruit blijkt dat er een verband is tussen een of andere zaak en de maanstand, dan betekent dat nog niet dat je daar in de praktijk wat aan hebt. Als bijvoorbeeld 90% van de temperatuurvariatie gedurende een maand uit de maanstand verklaard kon worden, dan zou je aan de hand van de verwachte maanstand heel redelijk kunnen voorspellen wat de temperatuur de komende maand zal worden, met maar 10% variatie voor andere zaken dan de maanstand. Als in plaats daarvan slechts 0,1% van de temperatuurvariatie met de maanstand samenhangt, dan heb je er wat betreft de temperatuur helemaal niets aan om te weten wat de maanstand is, omdat 99,9% van de temperatuurvariatie dan niet met de maanstand verbonden is.

Men zou er altijd bij moeten zeggen hoeveel van de natuurlijke variatie in de onderzochte zaak te verklaren is uit het gevonden verband met de maanstand. Je hebt er alleen maar wat aan als een groot deel van de variatie te verklaren is uit de maanstand.

Vanwege de ontelbare indirecte verbanden in de natuur en tussen menselijke gedragingen en zaken is het waarschijnlijk dat bijna alles wel op een of andere sterk indirecte manier met de maanstand samenhangt, dus als je maar een voldoende groot statistisch onderzoek zou kunnen doen, dan zou je bijna overal wel invloed van de maanstand in kunnen ontdekken, maar voor verreweg de meeste zaken is de invloed van de maanstand zo verschrikkelijk klein dat je er in de praktijk helemaal niets aan hebt.

6.4. De maanstand kan invloed hebben op...

[195]

6.4.1. ... slapeloosheid

Het is mogelijk dat mensen slechter slapen bij volle maan, vanwege het extra licht dat er dan 's nachts is. Het is dan niet belangrijk dat dat extra licht speciaal van de Maan komt; als er in plaats van de Maan een felle lamp naar binnen scheen die even helder lijkt als de volle maan, dan zou men net zo goed last krijgen van slapeloosheid. Dikkere gordijnen en betere afsluiting van de kieren waardoor toch nog licht de slaapkamer binnen komt kunnen dan helpen.

6.5. De maanstand kan een heel klein beetje invloed hebben op...

[53] [445]

6.5.1. ... het weer

Sommige mensen denken dat het weer verbonden is met de maanstand, dat er bijvoorbeeld een grotere kans op vorst is bij een volle maan dan bij een andere maanstand. Als zulke verbanden bestaan dan moeten ze wel heel erg zwak zijn, want het weer kan heel sterk verschillen van plaats tot plaats, terwijl de maanstand voor iedereen op hetzelfde moment gelijk is, en het weer kan heel erg veranderen van dag tot dag of zelfs van uur tot uur, terwijl de maanstand maar heel langzaam verandert. Ik denk dat het redelijk is om te stellen dat er geen verband is tussen de maanstand en het weer die je zou kunnen gebruiken om de weersvoorspellingen merkbaar te verbeteren.

Misschien is de gedachte dat de volle maan een grotere kans op vorst geeft afgeleid uit de waarneming dat als er vorst is en als je de Maan kunt zien, dan is er een groter dan gemiddelde kans dat die Maan vol is. Die correlatie is eenvoudig te begrijpen: Vorst treedt het meeste op in de winter. In de winter staat de volle maan langer boven de horizon dan de andere maanstanden, omdat de volle maan altijd recht tegenover de Zon staat en de Zon in de winter juist het minste te zien is. Er is in de winter dus een groter dan gemiddelde kans om een volle maan te zien, en ook een groter dan gemiddelde kans op vorst. "Meer volle maan zien" en "meer vorst" gaan dus samen. Echter, niet elk verband is een oorzakelijk verband. Anders gezegd: dat twee dingen samen op en neer gaan betekent niet dat de ene de oorzaak is van de andere. In dit geval zijn beide veroorzaakt door het seizoen. Als het je niet uitmaakt of je de volle maan ziet maar alleen of het volle maan is, dan is ook in de winter de kans op elke maanstand gelijk, en dan blijkt er geen bruikbaar verband te zijn tussen de maanstand en het weer.

Het weer en met het weer verbonden gebeurtenissen (zoals oogstverlies door onverwacht vroege vorst) worden al heel lang opgeschreven, en de maanstand kan voor elke willekeurige datum uitgerekend worden, dus als er een bruikbaar verband bestaat tussen de maanstand en een kenmerk van het weer, dan zou het niet moeilijk moeten zijn om het te vinden. Toch heb ik niet gehoord van zulke bruikbare verbanden, dus moet ik aannemen dat ze niet bestaan. (Kijk hieronder voor een eigen onderzoek naar het verband tussen de Maan en de temperatuur.)

Als er geen verband is gevonden tussen de maanstand en vorst, dan moeten directe of indirecte effecten van de Maan op vorst heel klein en daarmee alleen van academische interesse zijn. Dit zal niet veranderen, ongeacht hoeveel we praten over mogelijke oorzaken van zulke verbanden. Als we een potentiële oorzaak voor zo'n verband vonden dat een zichtbaar effect zou moeten geven, dan moeten we concluderen dat er blijkbaar nog een ander effect moet zijn dat het eerste tegenwerkt, als de waarnemingen ons vertellen dat er geen groot netto effect is van alle bekende en onbekende effecten samen.

Ook al is de interesse alleen van academisch belang, dan kunnen we er toch wel over praten. Verlies van warmte door warmtestraling is evenredig met de vierde macht van de temperatuur (ten opzichte van het absolute nulpunt, bijvoorbeeld gemeten in kelvin) op de plek van waar de warmte ontsnapt. (Dit wordt uitgedrukt door de Wet van Stefan-Boltzmann, zie //nl.wikipedia.org/wiki/Warmtestraling.)

Als een voorwerp op kamertemperatuur (290 K) komt in zonlicht, dan is het warmteverlies evenredig met 290⁴ = 290×290×290×290 = 7073 miljoen eenheden, dus de warmteontvangst van zonlicht moet ongeveer net zo groot zijn. De helderheid van de volle maan is ongeveer een half miljoen maal zo klein als van de Zon, dus de warmteontvangst door licht van de volle maan zou ongeveer 7073 miljoen gedeeld door een half miljoen, of ongeveer 14.000 eenheden zijn. Als je 14.000 eenheden bij de 7073 miljoen eenheden optelt dan geeft dat een temperatuurverhoging van ongeveer 0,00015 kelvin (omdat de vierde macht van 290,00015 ongeveer 14.000 meer is dan de vierde macht van 290). Ik denk dat zo'n temperatuurverhoging geheel te verwaarlozen is.

//adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?2001EM%26P...85...99C zegt dat temperatuurveranderingen met een periode van ongeveer een maand eerder verbonden zijn met activiteit van de Zon (die een rotatieperiode van ongeveer een maand heeft) dan met verhitting door de Maan. Met andere woorden, effecten vanwege de activiteit van de Zon zijn groter dan effecten vanwege de Maan, en zonneactiviteit is niet verbonden met de maanstand.

//adsabs.harvard.edu/cgi-bin/nph-bib_query?bibcode=1999GeoRL..26.1605C zegt dat het verschil tussen de hoogste en laagste temperatuur op een dag gemiddeld 0,1 graad Celsius minder is nabij volle maan dan nabij nieuwe maan, wat voornamelijk het gevolg is van (iets) hogere maximumtemperaturen nabij volle maan, die er zelf weer aan worden toegeschreven dat de Aarde bij volle maan iets dichter bij de Zon staat dan bij nieuwe maan (vanwege de zwaartekracht van de Maan).

Maar nogmaals, dit is allemaal van alleen academische interesse, zolang er geen bruikbaar verband gevonden is tussen de maanstand en het optreden van vorst (of een ander kenmerk van het weer).

6.6. De maanstand heeft geen invloed op...

Als ik hieronder schrijf dat de maanstand geen invloed heeft op de een of andere zaak, dan bedoel ik dat er ten hoogste (sterk) indirect verband is tussen de maanstand en die zaak, en dat in de praktijk kennis van de maanstand geen nuttig voordeel biedt bij het voorspellen van die zaak.

[79]

6.6.1. ... het geslacht van kinderen

Het geslacht van kinderen wordt bepaald door het toeval, met een bijna gelijke kans op een meisje als op een jongen. Er is geen verband tussen het geslacht van een kind en de maanstand tijdens de conceptie of tijdens de geboorte van dat kind, of tussen de gelijkheid of ongelijkheid van de geslachten van twee opeenvolgende kinderen in een gezin en de maanstand tijdens de geboorte van het eerste of het tweede kind, of welke andere combinatie van maanstanden en kinderen dan ook. Tenminste, zulke verbanden zijn nooit op wetenschappelijke wijze aangetoond, en zijn volgens de moderne wetenschap ook niet te verwachten.

[182]

6.6.2. ... de geboortedatum van kinderen

Er wordt beweerd dat er bij volle maan meer baby's geboren worden, maar die bewering is wetenschappelijk omstreden. Volgens een engelstalig artikel in de Brazilian Journal of Medical and Biological Research uit 2002 zijn er ongeveer evenveel onderzoeken die concluderen dat er zo'n verband is als onderzoeken die concluderen dat er niet zo'n verband is. Dat betekent dat dat effect, als het al bestaat, zo klein is dat het moeilijk te vinden is, en dus in de praktijk van geen belang.

De maanstand komt niet voor in de manier om uit te rekenen rond welke datum een geboorte verwacht wordt, tenminste niet in de manieren die ik daarvoor beschreven heb gezien. Op //www.9maanden.com/zwanger/zwanger/zpm.php wordt bijvoorbeeld gezegd dat je 40 weken moet optellen bij de eerste dag van de laatste menstruatie voor de zwangerschap. De volle maan komt er niet aan te pas.

Als er al een verband was tussen de maanstand en de aantallen geboortes, dan zou ik dat niet toeschrijven aan een natuurkracht uitgeoefend door de Maan, maar eerder aan een psychologisch effect.

In sommige culturen wordt de maanstand bij de geboorte als een belangrijke aanwijzing voor de toekomst van de baby gezien. De volle maan kan bijvoorbeeld als gunstig gezien worden, en de nieuwe maan als ongunstig (of omgekeerd). In zo'n cultuur kan de geboorte van een kind in sommige gevallen bewust of onbewust vertraagd of versneld worden, of eerder of later gemeld worden dan het werkelijk gebeurde, in de hoop daarmee de toekomst van de baby te verbeteren. De invloed van zulke effecten is moeilijk vast te stellen.

De preciese datum van de geboorte van een kind valt met medische hulp een beetje te sturen, en het geslacht van een kind kan tegenwoordig al met vrij grote zekerheid voor de geboorte ontdekt worden, dus zou men de geboortedatum wat kunnen bijsturen om een verband tussen de geboortedatum of het geslacht en de maanstand bij de geboorte af te dwingen, maar ik denk niet dat veel aanstaande ouders of medisch personeel daar interesse voor hebben -- en terecht.

[465]

6.6.3. ... het overlopen van een glas water

Er zijn geen wetenschappelijke redenen om aan te nemen dat een vol glas water over zal lopen precies op het moment dat het volle of nieuwe maan is, en zelfs als dat wel zo was zou dat niet erg handig zijn om de lengtegraad te bepalen.

De enige kracht van de Maan die invloed kan hebben op een glas water is de zwaartekracht, en die kracht is niet verbonden met de maanstand (vol of nieuw). Bovendien maakt het de zwaartekracht niet uit of het aangetrokken materiaal glas of water is, dus trekt de zwaartekracht net zo hard aan het glas als aan het water.

Het glas zou kunnen overlopen als het water meer uitzette dan het glas, of als het glas meer kromp dan het water, zodat het water niet meer in het glas zou passen. Er is echter geen wetenschappelijke reden waardoor water of glas precies bij volle of nieuwe maan zou uitzetten of krimpen.

Ook zijn er andere invloeden op een glas water. Water verdampt, bijvoorbeeld, waardoor het waterniveau in het glas lager wordt, zodat het moeilijker wordt om over te lopen. Hoe goed water tegen de randen van het glas op kruipt hangt er van af hoe schoon het glas is, dus een klein stootje dat wat water uit een vuil glas kan laten spatten is misschien onvoldoende om water uit een schoon glas te laten spatten. Ook het soort glas en de fabrikatiemethode kunnen invloed hebben. Men zou al deze andere invloeden moeten uitsluiten om voorspelbare resultaten te krijgen.

Een vragensteller schrijft dat iemand in 1687 voorstelde om aan de hand van het overlopen van een vol glas water te meten wat je geografische lengtegraad was, maar zelfs als een glas water precies bij volle en nieuwe maan zou overlopen dan nog zou dat niet erg handig zijn om de geografische lengtegraad mee te bepalen. De bepaling van de lengtegraad was alleen op zee een groot probleem, en het schommelen van het schip op de golven zou al snel water uit een vol glas laten spatten ongeacht de maanstand.

De bepaling van de lengtegraad is eigenlijk de bepaling van het verschil tussen de lokale tijd (volgens de Zon) op je huidige plaats en de lokale tijd op een of andere standaardplaats. Je zou de waterglasmethode alleen kunnen gebruiken (aangenomen dat die überhaupt zou werken) als je de tijden van volle en nieuwe maan voor de standaardplaats voldoende nauwkeurig kon bepalen: dan zou je zoiets kunnen zeggen als "volgens de voorspellingen was het nieuwe maan om 10:00 uur lokale tijd thuis, maar hier op het schip laat het volle glas water zien dat het nieuwe maan was om 11:00 uur, dus er moet een uur verschil zijn tussen de lokale tijd hier op het schip en de lokale tijd thuis, dus moeten we 360×1/24 = 15 graden ten westen van thuis zijn". De modellen voor de beweging van de Maan waren in 1687 niet erg nauwkeurig, en elke onnauwkeurigheid in de voorspelling van de tijd van volle of nieuwe maan zou meteen vertalen naar een onnauwkeurigheid in de lengtegraad. Een tijdverschil van 1 minuut op 40 graden breedte betekent een fout van 21 km in de positie van het schip, en dat kan het verschil bepalen tussen lekker doorvaren of op een rif of rots vastlopen.

We kunnen de mogelijkheid niet volledig uitsluiten dat er misschien toch nog krachten zijn die de wetenschap nog niet kent die er voor zouden kunnen zorgen dat een glas water precies bij volle of nieuwe maan over loopt, maar die moeten dan zo subtiel zijn dat ze tot nu toe wetenschappelijke ontdekking hebben ontweken. Ik schat dat dat ongeveer net zo waarschijnlijk is als de mogelijkheid dat het in het hele land kippensoep zal gaan regenen.

Je hoeft mij natuurlijk niet te geloven: probeer het gewoon zelf, maar beperk jezelf niet tot maar één glas. Als de Maan één glas beïnvloedt, dan moet zij ook tien glazen beïnvloeden. Als je het experiment opstelt met tien glazen op tien verschillende tafels en ze lopen allemaal precies op het moment van volle of nieuwe maan over, dan is er misschien toch wat aan de hand. Ik verwacht echter niet dat dat zal gebeuren.

6.7. De Maan en de temperatuur

De volgende twee figuren tonen het frequentiespectrum van de gemiddelde ("gem"), kleinste ("min"), en grootste ("max") dagelijkse temperatuur in Rotterdam tussen oktober 1956 en eind 2000, afgeleid uit data van het KNMI (Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut). De eerste figuur toont het hele spectrum en de tweede figuur een klein stukje van het hele spectrum. De frequentie (in eenheden van 1 per dag) staat langs de horizontale as en het kwadraat van de amplitude (de "energie") langs de vertikale as.

Fig. 1: Temperatuurfrequentiespectrum (1)
Fig. 1: Temperatuurfrequentiespectrum (1)

Fig. 2: Temperatuurfrequentiespectrum (2)
Fig. 2: Temperatuurfrequentiespectrum (2)

Figuur 1 toont een flinke piek bij een periode van 1 jaar (ν = 0,00274 d−1). Die piek bevat in z'n eentje 71 % van alle energie uit het spectrum, wat betekent dat 71 % van de variatie in de dagelijkse temperatuur verklaard wordt door het jaar (de seizoenen). De piek bevat tenminste honderd maal meer energie dan elke andere piek, dus elke andere invloed is ten minste honderd maal minder belangrijk dan het jaar.

Figuur 2 toont het deel van het spectrum waarin de verschillende definities van de maand liggen. De locaties van de verschillende maanden zijn aangegeven door vertikale strepen tussen de waarden 3 en 5. De streep net links van ν = 0,034 geeft de synodische maand aan, waarvan men de grootste invloed op de temperatuur zou kunnen verwachten. Er zijn geen overduidelijk hogere pieken die bij enige maand horen. Het piekje net links van ν = 0,034 bevat ongeveer 0,0010 maal zoveel energie als de piek bij 1 jaar, dus als je dat piekje toeschrijft aan de invloed van de synodische maand dan is die invloed duizend maal kleiner dan die van het jaar. Het piekje heeft een amplitude van 0,28 graden Celsius, dus is de invloed van de Maan op de temperatuur zeker niet groter dan dat.

[205]

7. Mensen op de Maan

Er zijn tot nu toe twaalf mensen op de Maan geweest, allemaal tussen 1969 en 1972. Elke keer gingen er drie mensen naar de Maan toe waarvan er twee in een maancapsule op de Maan landden en de derde in het ruimteschip rond de Maan bleef draaien tot de andere twee weer terugkwamen, en dan gingen ze met zijn drieën weer terug naar de Aarde. Hun missies heetten Apollo 11, 12, 14, 15, 16 en 17. De Apollomissies met nummers kleiner dan 11 waren testmissies die niet op de Maan landden. Van Apollo 13 was het wel de bedoeling dat ze op de Maan zouden landen maar ze kregen onderweg een ongeluk en toen ging de landing niet door. Ze gingen achter de Maan langs en toen meteen weer terug naar de Aarde. Van hun verhaal is een paar jaar geleden een mooie film gemaakt, die ook "Apollo 13" heet.

[185]

8. De middelbare Maan

In de beweging van de Maan langs de hemel zitten veel kleine verstoringen die er voor zorgen dat de data en tijden van de ware samenstand van de Zon en de Maan (dat wil zeggen, van nieuwe maan) geen eenvoudige reeks vormen waarbij je elke volgende datum vindt door een vast aantal dagen bij de vorige datum te tellen. Dit betekent dat als je de tijd van de ware samenstand met grote nauwkeurigheid wilt uitrekenen, dan moet je honderden verschillende periodieke termen uitrekenen en optellen, waarvan er sommige van je plaats op Aarde afhangen. Zo'n berekening wordt meestal in twee stappen gedaan. Eerst wordt de samenstand berekend voor de middelbare Maan. Dat is een denkbeeldige Maan die dezelfde gemiddelde beweging heeft als de echte Maan maar zonder de verstoringen. Deze berekening is relatief eenvoudig en snel en geeft de datum en tijd van de middelbare samenstand. Daarna wordt het effect van alle verstoringen een voor een uitgerekend en dan als verbetering opgeteld bij de middelbare samenstand. Deze tweede stap is relatief langzaam.

Als grote nauwkeurigheid niet nodig is, dus als je een afwijking van ongeveer een halve dag niet erg vindt, dan kun je de tweede stap weglaten en de tijd van de middelbare samenstand gebruiken als schatting voor de tijd van de ware samenstand.

Dat er zoiets als een middelbare Maan bedacht is kun je begrijpen uit de geschiedenis van de berekening van de positie van de Maan. Om betere voorspellingen te kunnen geven voor de samenstanden van de Maan moet je nauwkeurige waarnemingen van zulke samenstanden vergelijken met de voorspellingen die je huidige methode daarvoor geeft. Als je terugkerende patronen of perioden in de afwijkingen ziet, dan kun je die in wiskundige vorm gieten en aan je voorspellingsmethode toevoegen. De eerste stap in dit proces is dat je de simpele rekenkundige reeks vindt die de tijden van de samenstanden het beste beschrijft, en daarmee heb je eigenlijk de middelbare Maan al gedefinieerd. Je kunt de (veel kleinere) storingen pas gaan bestuderen als je gevonden hebt hoe je de beweging van de middelbare Maan voldoende nauwkeurig kunt voorspellen. Dus ook in de geschiedenis begon de voorspelling van de tijden van samenstanden van de Maan met de Zon al met middelbare samenstanden, hoewel ze toen waarschijnlijk niet zo genoemd werden. De Babyloniërs hadden 2500 jaar geleden al een voorspelbare maankalender, dus voorspellingen van middelbare samenstanden zijn al minstens zo oud.

[171] [512]

9. De oppervlaktekenmerken van de Maan

Op de Maan zijn veel verschillende soorten dingen te zien, zoals kraters, heldere stralen die naar kraters wijzen, grote gladde donkere gebieden, valleien, ribbels, en kliffen. Bijna alle kraters en heldere stralen werden gevormd door meteorietinslagen. De jongste kraters hebben stralen. De grote gladde donkere gebieden worden zee of mare (het latijnse woord voor zee) genoemd. Het zijn geen zeeën van water maar van afgekoelde lava die miljarden jaren geleden uit scheuren en gaten in de bodem van enorme inslagkraters opwelde. Sommige valleien, ribbels en kliffen zijn gevormd door tectonische activiteit rond breuklijnen.

De huidige oppervlaktekenmerken van de Maan werden gemaakt door inslagen van meteoren en door (hele oude) lavastromen.

Voor tectonische activiteit zoals we op de Aarde hebben moet je een laag van gesmolten materiaal onder het oppervlak hebben waarop de tectonische platen kunnen drijven. De Maan is relatief klein, dus had het minder hitte van binnen om mee te beginnen en raakt het hitte relatief snel door het oppervlak kwijt, dus zijn de buitenste lagen van de Maan snel hard geworden ("bevroren") tot op grote diepte en dat laat geen tectonische activiteit toe.

Heel vroeg in de geschiedenis van het Zonnestelsel zweefden er nog veel grote rotsblokken door de ruimte, en een paar daarvan hebben de Maan geraakt en vormden de hele grote ronde structuren die we vandaag nog kunnen zien. De bergruggen op de Maan zijn delen van de randen van die hele grote kraters van lang geleden.

Radioaktieve materialen onder het oppervlak van de Maan hebben lang geleden een laag niet ver onder het oppervlak van de Maan laten smelten en een deel van de gesmolten steen is omhoog gekomen in de hele grote en diepe kraters (waar de lava niet ver omhoog hoefde te komen en er bovendien veel scheuren in de grond waren vanwege de inslag van de grote meteorieten) en heeft ze opgevuld, en die lavavlakten noemen we vandaag de "zeeën" (mare) van de Maan (zoals Mare Imbrium).

Kleinere meteorieten maakten de vele kleinere kraters die we op de Maan kunnen zien. De meeste van die meteorieten vielen een hele lange tijd (miljarden jaren) geleden. Ook tegenwoordig worden er nog nieuwe kraters gemaakt, maar die zijn meestal heel klein (misschien een paar meter groot).

[172] [189]

10. Maanstenen

De stenen die de astronauten van het Apolloprogramma mee brachten van de Maan konden we in detail onderzoeken in het laboratorium. Uit hun bestanddelen en struktuur konden we afleiden hoe ze gevormd waren, en dus wat de geschiedenis van de Maan was. Uit de verhoudingen van verschillende producten van radioactiviteit in de stenen konden we de ouderdom van de stenen en de Maan afleiden. Het bleek dat de Maan ongeveer 4,55 miljard jaar oud is. We nemen aan dat de Maan samen met de rest van het Zonnestelsel is gevormd, dus dat betekent dat het Zonnestelsel ook tenminste 4,55 miljard jaar oud is.

11. De vorming van de Maan

Er zijn in het verleden veel verschillende theoriën geweest over hoe de Maan gevormd werd. Sommigen dachten dat de Maan elders in het Zonnestelsel ontstond en toen door de Aarde gevangen werd, en anderen dachten dat de Maan ontstond toen de Aarde in tweeën spleet omdat hij te snel rond zijn as draaide.

De eerste theorie (over het vangen van de Maan) is onwaarschijnlijk omdat het erg moeilijk is voor een planeet om iets te vangen dat uit een heel ander deel van het Zonnestelsel komt dan de planeet zelf, omdat het erg lastig is om de grote snelheid weg te werken die zo'n ding heeft wanneer het langs de Aarde vliegt, omdat er in de ruimte geen wrijving van betekenis is. Ook hebben de stenen en grond op de Maan ongeveer dezelfde samenstelling als stenen en grond op Aarde, die anders is dan de samenstelling van materiaal dat veel dichter bij de Zon of veel verder van de Zon is dan de Aarde.

De tweede theorie (over de splijting) is ook onwaarschijnlijk omdat de afgesplitste Maan dan loodrecht van de draaias van de Aarde geslingerd zou zijn, en dus in het vlak van de evenaar van de Aarde rond de Aarde zou moeten draaien, maar de baan van de Maan maakt een hoek van 5° met de evenaar van de Aarde. Als je de evolutie van de baan van de Maan met de computer terugrekent naar het verleden dan wordt die hoek naarmate de Maan dichter bij de Aarde komt alleen maar groter.

De theorie die nu het populairst is zegt dat de jonge Aarde getroffen werd door een voorwerp van ongeveer de grootte van Mars, waardoor stukken uit de Aarde en het inslaande voorwerp de ruimte in geslingerd werden en deels samenklonterden tot de Maan.

[106]

12. Hitte van de Maan

De Maan produceert zelf geen noemenswaardige hitte (in tegenstelling tot sterren). Het verval van radioactief materiaal dat van nature in de Maan voorkomt is de enige manier waarop de Maan zelf hitte kan produceren, maar de bijdrage daarvan is te verwaarlozen.

Hoewel de Maan geen hitte produceert kan het daar toch tot 120 graden Celsius heet zijn. Dat komt omdat de Maan verwarmd wordt door zonlicht. Als de Zon ergens op de Maan onder gaat wordt het daar bitter koud. De laagste temperatuur die op de Maan gemeten is is ongeveer −180 graden Celsius, en de enige reden dat die niet nog een stuk lager kan worden is omdat na hooguit twee weken de Zon weer opkomt. (Alleen in de buurt van de polen van de Maan zijn er plekken in kraters waar nooit direct zonlicht komt, en daar zou het nog wel eens een stuk kouder kunnen zijn dan −180 , maar die plekken zijn vanaf de Aarde niet goed te zien en daarom kunnen we de temperatuur daar nog niet meten.)

De Maan produceert geen hitte, maar heeft nog wel veel hitte in zijn binnenste. Die hitte is nog over van toen de Maan gevormd werd, ongeveer vijf miljard jaar geleden. De Maan (en ook de Aarde en ander manen en planeten) is ontstaan uit botsingen van veel kleine stukken en bij elke botsing werd de snelheidsenergie (kinetische energie) omgezet in warmte. Die warmte lekt sindsdien langzaam weg de ruimte in, maar zelfs na vijf miljard jaar is er nog wat over. Daarom wordt het naar binnen toe in de Maan steeds warmer. In het centrum is het waarschijnlijk nog ongeveer 1500 graden Celsius.

[444]

De Aarde ontvangt wat hitte van de Maan. Een deel ervan komt uit het binnenste van de Maan, en een ander deel is hitte van de Zon die door de Maan gereflecteerd wordt. Hoe voller de Maan lijkt, hoe helderder het lijkt, dus er is een verband tussen de hoeveelheid naar de Aarde gereflecteerd licht en hitte en de maanstand. Echter, de hoeveelheid zonlicht en zonnehitte die door de Maan naar de Aarde wordt gereflecteerd is ongeveer een half miljoen maal minder dan de hoeveelheid licht en hitte die we direct van de Zon ontvangen, dus het kleine beetje extra dat via de Maan komt is helemaal niet belangrijk.

[99]

13. De Maan heeft geen dampkring

De Maan heeft geen noemenswaardige dampkring omdat de Maan niet voldoende massa heeft om het weglekken van de dampkring naar de ruimte genoeg te vertragen en omdat het geologisch dood is en dus de verloren gassen niet vervangen worden.

De Aarde heeft veel meer massa dan de Maan dus lekt de dampkring van de Aarde veel langzamer de ruimte in. Ook is de Aarde geologisch en biologisch actief, wat gassen produceert die de weggelekte gassen vervangen.

[123] [385]

14. De kern van de Maan

Alle gedetailleerde informatie die we hebben over het binnenste van de Maan komt van seismografische waarnemingen gedaan door instrumenten die door de Apollo-astronauten op de Maan neergezet zijn. Deze seismografen werkten een paar jaar en legden maanbevingen vast. Een maanbeving is als een aardbeving maar dan op de Maan. Door verschillende samenstellingen van het binnenste van de Maan te proberen en te kijken welke resultaten gaf die het beste pasten bij de seismische waarnemingen kwamen wetenschappers er achter hoe de Maan van binnen in elkaar steekt.

Het blijkt dat de Maan gesmolten (of tenminste stroperig) is vanaf ongeveer 1000 km onder het oppervlak, maar er is geen afzonderlijke metaalkern ontdekt. Als de Maan toch zo'n kern heeft dan is zijn straal minder dan 300 km.

[76]

15. Reizen naar de Maan

De mensen die naar de Maan gingen deden er ongeveer drie dagen over om van de Aarde naar de Maan te vliegen. Daarbij volgden ze een route waarvoor zo weinig mogelijk brandstof nodig was, namelijk "maar" ongeveer 30 kilo brandstof voor elke kilo ruimteschip dat naar de Maan ging. Als je er meer brandstof voor over hebt (wat heel erg duur is), dan kun je sneller vliegen, en dan duurt het minder lang.

Tot nu toe zijn meestal chemische raketten gebruikt die veel stuwkracht geven maar in slechts een paar seconden door al hun brandstof heen gaan. De laatste jaren is voor raketten de ionenmotor ontwikkeld die veel minder stuwkracht geeft dan een chemische raket maar die wel maanden achter elkaar kan werken en alles bij elkaar minder brandstof nodig heeft. Omdat de stuwkracht klein is duurt de reis wel langer. Zo doet de Smart-1-satelliet met een ionenmotor er 18 maanden over om van de Aarde naar de Maan te reizen. Voor een reis met mensen aan boord zou dat veel te lang zijn.

[56] [65] [287]

16. De grootte van de Maan

De Maan heeft een diameter van 3476 km. Die van de Aarde is 3,7 keer zo groot. De Maan heeft een oppervlakte van 152 miljoen vierkante kilometer. Die van de Aarde is 13,5 keer zo groot. De Maan heeft een volume van 176 miljard kubieke kilometer. Die van de Aarde is 49,4 keer zo groot. De Maan heeft een massa van 7.36 × 1022 kg. Die van de Aarde is 81,2 keer zo groot.

De Maan lijkt aan de hemel groter dan de sterren, maar dat is alleen omdat de sterren zo verschrikkelijk veel verder weg zijn dan de Maan. Als je de grootte van de sterren kon meten met een lange lineaal, dan zouden alle sterren die je 's nachts kunt zien verschrikkelijk veel groter zijn dan de Maan. Als je een gemiddelde ster op de plaats van de Maan zou kunnen zetten, dan zou die ster zo groot zijn dat wij op Aarde er binnen in zouden zitten.

[567]

17. De afstand van de Maan

De kleinste en grootste afstand van de Maan tot de Aarde zijn niet elke maand hetzelfde. De Maan volgt niet precies een ellipsbaan, omdat op de Maan ook andere krachten werken dan alleen de zwaartekracht van de Aarde. Een belangrijke andere kracht die op de Maan werkt is de zwaartekracht van de Zon. Die zorgt ervoor dat de Maan soms dichter bij en soms verder weg staat van de Aarde dan gewoonlijk. Dit hangt er van af hoe dicht de datum van perigeum ligt bij de datum van volle maan. In maart van 2011 jaar liggen die dicht bij elkaar. Dan wijst de lange as van de maanbaan naar de Zon en is de excentriciteit van de maanbaan het grootst. Dit gebeurt na elke ongeveer 206 dagen weer, maar dan is de maan niet altijd ook precies in het perigeum.

De Maan was in maart 2011 wel dichterbij dan gewoonlijk, maar het verschil was ook weer niet heel erg groot. Gemiddeld is de maan in zijn perigeum op ongeveer 94,5% van de gemiddelde afstand (gemiddeld over jaren). In maart 2011 was de maan op 92,8% van de gemiddelde afstand.

In november 2034 zal de maan nog dichterbij komen: tot 356.445 km. Dat is het dichtste bij van de hele periode 1960 - 2040.

De maan bedekt gemiddeld ongeveer 1860 boogseconden aan de hemel (ongeveer 31 boogminuten, pakweg een halve graad). In maart 2011 was dat pakweg 1860/0,0928 = 2000 boogseconden (ongeveer 33 boogminuten).

Je kunt in zo'n extra sterk perigeum ook een hogere springtij verwachten, maar dat verschil zal ook maar een paar procent zijn, net als voor de afstand en voor de grootte van de maan.

[486]

18. Hoe vol is de Volle Maan?

De Maan is vol als zij precies recht tegenover de Zon staat aan de hemel, dus als wij precies tussen de Zon en de Maan in staan. Echter, als de Aarde precies tussen de Zon en de Maan in staat dan valt de schaduw van de Aarde op de Maan, dus dan is de Maan lang niet zo helder als je van een volle maan verwacht.

Maansverduisteringen gebeuren niet elke maand, dus staat de Maan als wij het "volle maan" noemen blijkbaar meestal niet precies tegenover de Zon. Bij volle maan kan de Maan nog tot pakweg 5 graden weg staan van de richting recht tegenover de Zon (waar de schaduw van de Aarde heen wijst). Als de Maan 5 graden weg is van dat "tegenpunt" dan is zij nog steeds 99,8 procent vol, wat met het blote oog niet te onderscheiden is van 100 procent vol.

De Maan zal het volst zijn als zij net de slagschaduw van de Aarde raakt. Als de Maan nog dichter bij het tegenpunt is dan zal ze deels in de slagschaduw van de Aarde zijn en er daarom duidelijk niet meer vol uit zien. En hoe verder de Maan van het tegenpunt af komt, hoe groter het defect ten opzichte van perfecte volheid wordt.

Ik denk dat het gunstigste geval zich voordoet als de Maan de slagschaduw van de Aarde raakt op het moment dat de Aarde het dichtste bij de Zon is (in het perihelium, rond 4 januari) en de Maan het verste van de Aarde af (in het apogeum). Volgens mijn berekeningen zou het centrum van de Maan dan 0,875 graden van het tegenpunt zijn, en zou de Maan dan 99,9942 procent vol zijn.

[52]

19. Data van volle en nieuwe maan

De data van nieuwe maan en volle maan voor de jaren 2000 tot 2018 staan op een tabellenbladzijde. Voor jaren voor 2000 of na 2018 moet je net zo lang 19 er bij optellen of er van aftrekken tot je tussen 2000 en 2018 uitkomt. Bijvoorbeeld, de data voor 1965 zijn gelijk aan die voor 1965 + 2×19 = 2003.

[530]

De volgende formule voor het Juliaanse Dagnummer van de gemiddelde maanstanden (dus zonder verstoringen door de Zon of andere planeten mee te tellen) is gebaseerd op het boek [Meeus], na weglating van hogere-orde termen die minder dan een minuut bijdragen:

\begin{equation} J = 2451550.09765 + 29.530588853 k \end{equation}

waarin een heel getal voor k een nieuwe maan geeft, een heel getal + 1/4 een eerste kwartier, + 1/2 een volle maan, en + 3/4 een laatste kwartier. Een schatting voor \(k\) volgt uit

\begin{equation} k = (a - 2000.1 + m/12) × 12.3685 \label{eq:k} \end{equation}

waarin \(a\) het jaartal en \(m\) het maandnummer voorstelt. Als de nieuwe maan aan het begin van de maand valt, zet dan \(m\) gelijk aan het maandnummer (1 voor januari, 2 voor februari, en zo voort). Als de nieuwe maan na het begin van de maand valt, tel dan een toepasselijk deel erbij, zodat je (bijvoorbeeld) 2.5 invult voor midden februari of 6.9 voor ongeveer 27 juni.

Als je niet een nieuwe maan maar een eerste kwartier wilt hebben, tel dan 0.25 op bij \(k\). Tel 0.5 op voor een volle maan, en 0.75 voor een laatste kwartier.

Als je het jaar en de maand goed invult (dus zodat ze echt kloppen bij de gewenste maanstand), dan is \(k\) uit vergelijking \eqref{eq:k} dicht bij een heel getal en dat hele getal geeft dan het volgnummer aan in een rij waarin elk volgende voorkomen van die maanstand een nummer heeft dat één hoger is dan de vorige, met volgnummer 0 voor de maanstand bij het begin van het jaar 2000. (De formule wordt minder nauwkeurig hoe verder je van het jaar 2000 weg gaat, maar zou goed moeten zijn voor tenminste een paar eeuwen.)

Bijvoorbeeld: er was een nieuwe maan rond 6 januari 2000, dus \(a = 2000\) en \(m = 1,2\) (6 dagen = ongeveer 6/30 = 0,2 voorbij het begin van maand 1), dus dan is \(k = (2000 - 2000,1 + 1,2/12)×12,3685 = 0\).

Er is ook een nieuwe maan rond 27 november 2008, dus dan is \(a = 2008\) en \(m = 11,9\) (nabij het einde van maand 11), dus dan is \(k = (2008 - 2000,1 + 11,9/12)×12,3685 = 8,892×12,3685 = 109,98\) en dat is in de buurt van 110, dus dat is nieuwe maan nummer 110. De nieuwe maan van 27 november 2008 is 110 − 0 = 110 nieuwe maanden of maanmaanden na de nieuwe maan van 6 januari 2000.

En hoe zit dat voor het begin van het jaar 1900? Dan is \(a = 1900\) en \(m = 1\), dus \(k = (1900 - 2000,1 + 1/12)×12,3685 = −100,17×12,3685 = −1237,056\) en dat is een klein beetje voor −1237, dus nieuwe maan nummer −1237 viel een paar dagen na het begin van het jaar 1900. Het aantal maanmaanden tussen die nieuwe maan en die van 27 november 2008 is 110 − (−1237) = 110 + 1237 = 1347.

[566]

20. Maanstanden en sterrenbeelden

De Maan met een bepaalde maanstand (zoals eerste kwartier) staat niet elke maand in hetzelfde sterrenbeeld. Een bepaalde maanstand is een vast aantal graden ten oosten van de Zon langs de ecliptica, en de Zon schuift ongeveer één sterrenbeeld op per maand, dus de volgende keer dat de Maan dezelfde maanstand bereikt staat die meestal één sterrenbeeld verder dan de vorige keer.

De maan in het eerste kwartier staat in het sterrenbeeld waar de Zon 3 maanden later staat. De volle maan staat in het sterrenbeeld waar de Zon 6 maanden later staat en 6 maanden geleden stond. De maan in het laatste kwartier staat in het sterrenbeeld waar de Zon 3 maanden geleden stond.

[458]

21. De richting van maansopkomst en maansondergang

De beweging van de Maan is veel moeilijker te berekenen dan de beweging van de Zon.

Als je hele precieze richtingen wilt weten, dan kun je het beste een planetariumprogramma gebruiken, waarmee je de richting van de Maan kunt uitrekenen voor elke datum en tijd en plaats die je wilt, en (meestal) ook de richting van de opkomst en ondergang van de Maan. Voorbeelden van planetariumprogramma's zijn Redshift 5 (voor Microsoft Windows; //www.maris.com) en xplns (voor Linux; //www.astroarts.com/products/xplns/), maar er zijn er nog veel meer.

Als je er geen bezwaar tegen hebt om zelf wat te rekenen, dan kun je de instructies op de Hemelpositiespagina proberen.

Als je de richting alleen maar ongeveer wilt weten, en als je al weet waar de Zon in elk seizoen op komt en onder gaat gezien vanaf de plaats waarvoor je het van de Maan wilt weten, dan kun je het als volgt schatten: Als de Maan \(x\) dagen voorbij Nieuwe Maan is, dan komt hij ongeveer op en gaat hij ongeveer onder waar de Zon dat \(x\) maal 2/5 maand later en \(x\) maal 4/5 uren eerder doet, gezien vanaf dezelfde plaats. Als de Maan \(x\) dagen voor Nieuwe Maan is, dan zijn zijn opkomst en ondergang ongeveer waar de Zon dat \(x\) maal 2/5 maand eerder en \(x\) maal 4/5 uren later deed.

Bijvoorbeeld, op de avond van 9 november 2005 was de Maan 7,5 dagen voorbij Nieuwe Maan (dus de zogenaamde ouderdom van de Maan was toen 7,5 dagen), dus kwam hij ongeveer op waar de Zon 7,5 maal 2/5 = 3 maanden later en 7,5 maal 4/5 = 6 uur eerder op komt, wat ongeveer 6 uur eerder op 9 februari is. Het jaar maakt voor de Zon niet uit, elk jaar op 9 februari komt de Zon in dezelfde richting op. De Maan kwam dus op 9 november 2005 op en ging hij onder ongeveer waar de Zon dat ongeveer 6 uur eerder doet op 9 februari van elk jaar.

Je kunt richtingen van de Zon bij zonsopkomst en zonsondergang voor de hele wereld vinden in de zonnepositietabel, maar om die te gebruiken moet je wel de geografische breedtegraad van je plaats weten.

Als je alleen maar een hele globale richting wilt weten, dan is het voldoende om te weten dat de Zon en de Maan ongeveer hetzelfde bereik van richtingen hebben waarin ze kunnen opkomen, en ongeveer hetzelfde bereik waar ze kunnen ondergaan (voor een gegeven plaats op Aarde). Als de Zon bijvoorbeeld elke dag ongeveer tussen het noordoosten en zuidoosten op komt, dan komt de Maan ook elke dag ongeveer tussen het noordoosten en zuidoosten op.

[470]

22. De richting van de Volle Maan

De Volle Maan staat ongeveer op dezelfde plek aan de hemel als waar de Zon een half jaar en een halve dag eerder of later staat.

De Zon volgt elk jaar hetzelfde pad (de ecliptica) aan de hemel tussen de sterren, en de Maan staat nooit meer dan pakweg 6 graden boven of onder dat pad. De volle Maan staat altijd (ongeveer) recht tegenover de Zon, anders was hij niet vol. Bijvoorbeeld, als de Maan op 21 december vol is dan staat die volle Maan ongeveer tussen de sterren waar de Zon een half jaar eerder (op 21 juni) stond, en staat de volle Maan het hoogst aan de hemel ongeveer 12 uur nadat de Zon het hoogst aan de hemel staat.

Een volle Maan staat op 21 december 24:00 uur (meestal) niet precies even hoog als de Zon op 21 juni 12:00 omdat (1) de Maan tot 6 graden boven of onder het pad van de Zon kan staan, en dus de Volle maan ook tot 6 graden hoger of lager dan de Zon zes maanden eerder; (2) de Maan als hij niet precies om 24:00 vol is iets eerder of later het hoogst aan de hemel staat (en dus om 24:00 uur iets hoger of lager) dan als hij wel precies om 24:00 vol was; (3) we in december wintertijd hebben en in juni zomertijd, dus zou je eigenlijk 21 juni 13:00 zomertijd moeten vergelijken met 21 december 24:00 wintertijd.

[283]

23. De maand

De Maan doet er een maand over om eenmaal rond de Aarde te draaien. Er zijn geen hectometerpaaltjes in de ruimte, dus kun je alleen zien of de Maan alweer een rondje heeft afgemaakt door zijn positie te vergelijken met iets anders. Je kunt verschillende dingen kiezen om mee te vergelijken, en zo definieer je verschillende soorten maanden:

Behalve de kalendermaand past geen van deze maanden een heel aantal keren in een kalenderjaar, dus blijft er altijd nog een stukje over.

[475]

24. Dag en nacht op de Maan

De dag en de nacht op de Maan duren elk ongeveer twee (aardse) weken. Een maan-dag en maan-nacht zijn samen even lang als een synodische maand.

Om te bepalen of het rond je huis nacht is kijk je of de Zon onder de horizon is gezien vanaf je huis. Je bepaalt de lengte van de nacht door te meten hoeveel tijd er is tussen zonsondergang en zonsopkomst gezien vanaf je huis. De lengte van de nacht op een gekozen plek op de Maan moet op dezelfde manier bepaald worden: door te meten hoeveel tijd er is tussen zonsondergang en zonsopkomst gezien vanaf die plek op de Maan.

Nemen wij bijvoorbeeld de plek op het midden van de maanschijf (zoals gezien vanaf de Aarde). Dit is een of andere krater. Bij nieuwe maan is de hele voorkant van de Maan donker, dus ook onze krater, dus is het daar dan nacht. Bij eerste kwartier, ongeveer een week na nieuwe maan, loopt de grens tussen licht en donker precies over het midden van de voorkant van de Maan, en dus ook over onze krater, dus dan is het bij onze krater zonsopkomst. Bij volle maan, weer ongeveer een week later, is de hele voorkant verlicht, dus beschijnt de Zon dan ook onze krater, en daar moet het dan dag zijn. Bij laatste kwartier, weer ongeveer een week later, loopt de grens tussen licht en donker weer precies over het midden van de voorkant van de Maan, maar nu met licht en donker aan de andere kant als bij eerste kwartier. Bij onze krater is het nu zonsondergang. En bij nieuwe maan, weer ongeveer een week later, is de hele voorkant en dus ook onze krater in duisternis. Voor onze krater midden op de voorkant van de Maan duurt de dag dus van eerste kwartier tot laatste kwartier, en de nacht van laatste kwartier tot eerste kwartier. Die dag en nacht duren dus elk ongeveer twee weken.

Voor een andere krater op een andere plek op de Maan geldt een vergelijkbaar verhaal, maar met zonsopkomst en zonsondergang misschien bij andere schijngestalten dan voor de krater op het midden van de voorkant.

Je kunt dit zelf nakijken. Bekijk de Maan een maand lang elke dag en/of nacht een paar keer. Kies een bepaalde vlek op de Maan en kijk elke keer of die vlek nog op het heldere deel van de Maan ligt. Zolang de vlek op het heldere deel ligt is het op die plek dag, en als de vlek niet op het heldere deel ligt dan moet hij op het donkere deel liggen en dan is het daar nacht. Je zult zien dat de vlek ongeveer twee weken lang op het heldere deel van de Maan ligt, en daarna ongeveer twee weken lang op het donkere deel (en dus niet te zien).

[47]

25. De oriëntatie van de maansikkel

De lijn die de twee punten van de maansikkel verbindt staat altijd bijna loodrecht op het pad dat de Maan langs de hemel volgt. Als de Maan vanaf de horizon recht omhoog gaat (zoals gezien vanaf de evenaar), dan ligt de sikkel dus horizontaal. Als de Maan schuin omhoog gaat (zoals gezien van ver van de evenaar vandaan), dus met ook een flinke beweging langs de horizon naar het westen, dan staat de sikkel ook schuin. De Maan gaat gezien vanaf de evenaar bijna recht omhoog omdat de maanbaan ongeveer boven de evenaar staat.

Het aanzicht van de Maan vanaf een plek ten zuiden van de evenaar is te vergelijken met het aanzicht vanaf een plek even ver ten noorden van de evenaar, en andersom. De Maan staat gezien vanaf 52 graden zuiderbreedte net zo rechtop als gezien vanuit Nederland (op 52 graden noorderbreedte).

[343]

26. Het verlichte deel van de rand van de Maan

De Maan wordt belicht aan de kant die aan de hemel het dichtste bij de Zon is. Op een bol is de kortste weg tussen twee punten een grootcirkel: een cirkel die zo groot is als de evenaar van de bol, rond de hele bol gaat, en het midden van de bol als centrum heeft.

Als de Maan hoog in het westen aan de hemel staat en de Zon laag in het oosten aan de hemel, dan is de kortste weg niet een lijn die vanaf de Maan schuin naar beneden gaat naar de lage Zon, maar een lijn die vanaf de Maan schuin omhoog gaat tot hij in de buurt van de hemelmeridiaan (ongeveer in het zuiden, gezien vanuit Europa) het hoogste punt bereikt, en dan omlaag naar de Zon. Omdat de lijn vanaf de Maan schuin omhoog gaat naar de hemelmeridiaan zal ook die kant van de Maan verlicht zijn.

Je kunt dit zelf naspelen met een wereldbol en een touwtje, of met een hoepel. Vat de wereldbol op als de hemelbol en geeft er de plaatsen van de Zon en de Maan op weer, bijvoorbeeld de Zon in Indonesië (in het oosten, "laag" boven de evenaar, die de horizon voorstelt) en de Maan in het oosten van Canada (in het zuidwesten, "hoog" boven de evenaar). Probeer nu het touwtje strak van het ene punt naar het andere te laten lopen. U zult zien dat het vanaf Canada niet meteen naar beneden gaat, maar eerst nog wat omhoog. Vanwege dezelfde reden vliegt U van Amsterdam naar de V.S. niet de hele tijd naar het zuidwesten, maar eerst een stuk naar het noordwesten en dan een stuk naar het zuidwesten.

Met een hoepel is de opdracht om je hoofd precies in het midden van de hoepel te houden en dan de hoepel zo te draaien dat hij de Zon en de Maan bedekt. Je zult zien dat de Maan altijd verlicht is aan de kant die langs de hoepel het dichtst bij de Zon is, en in de richting die de hoepel bij de Maan heeft.

[571]

De richting (links of rechts) van de heldere buitenrand van de wassende maan en de richting van de heldere buitenrand van de afnemende maan hangen er van af welke van de twee eclipticale polen boven de horizon staat. De eclipticale polen zijn de twee punten aan de hemel die het verste weg zijn van de ecliptica (het pad dat de Zon en Maan en planeten ongeveer volgen langs de sterren aan de hemel), net zoals de geografische polen de twee punten op Aarde zijn die het verste weg zijn van de evenaar. Als de eclipticale noordpool boven de horizon staat, dan zijn die richtingen zoals in Nederland (en alle andere plekken ten noorden van de tropen), en als de eclipticale zuidpool boven de horizon staat, dan zijn die richtingen tegengesteld aan die in Nederland, en gelijk aan die zoals in Zuid-Afrika (en alle andere plekken ten zuiden van de tropen). Als de eclipticale polen precies op de horizon staan dan gaat de ecliptica door het zenit en dan wijst de maan recht naar beneden (als die boven de horizon staat).

Gezien vanuit Nederland (of andere plekken ten noorden van de tropen) wijst de heldere buitenrand van de wassende maan (tussen nieuwe maan en volle maan) naar rechts (als de letter "D" ― in ieder geval meer naar rechts dan naar links) en wijst de heldere buitenrand van de afnemende maan (tussen volle maan en nieuwe maan) naar links (als de letter "C"). Gezien vanuit Zuid-Afrika (of andere plekken ten zuiden van de tropen) is dat net andersom (dus van daar vandaan gezien lijkt de wassende maan op de letter "C" en de afnemende maan op de letter "D").

Ten noorden van de tropen (bijvoorbeeld in Nederland) staat altijd de eclipticale noordpool boven de horizon, en ten zuiden van de tropen (bijvoorbeeld in Zuid-Afrika) altijd de eclipticale zuidpool. Op plekken in de tropen (zoals Curaçao) is soms de ene en soms de andere eclipticale pool boven de horizon, dus wisselt het aanzicht van de maan tussen "noordelijk" (als in Nederland) en "zuidelijk" (als in Zuid-Afrika). Hoe lang de eclipticale noordpool elke dag boven de horizon staat, en hoe lang de zuidpool hangt af van de breedtegraad, en de tijd waarop ze wisselen hangt van het seizoen af en wordt elke dag ongeveer 4 minuten vroeger.

[45] [67] [468] [476]

27. De voorkant van de Maan

De Maan laat altijd dezelfde kant aan ons op Aarde zien. Dat kun je zelf nakijken. Als je naar de Maan kijkt (met of zonder verrekijker) dan zie je op de Maan vlekken (de zogenaamde zeeën, die uit gestolde lava bestaan). Alle vlekken die je ooit op de Maan kunt zien kun je ook tijdens elke Volle Maan zien, en dat kan alleen als de Maan altijd dezelfde kant aan ons laat zien. De Volle Maan toont elke keer de hele nacht dezelfde vlekken, en ook dat kan alleen als de Maan altijd dezelfde kant aan ons laat zien.

Hieronder staan een paar foto's van de maan, genomen door de auteur op, respectievelijk, 2006-01-08, 2006-06-09, 2005-11-14, 2003-04-15, 2001-12-30, 2002-12-19, 2002-01-05 en 2003-01-24. Al deze foto's tonen dezelfde vlekken (in het verlichte deel), hoewel genomen bij verschillende maanstanden en op verschillende tijden van de nacht.

De Maan laat altijd dezelfde kant aan ons zien, maar toch zegt men dat de Maan rond zijn eigen as draait. Hoe kan dat?

Ten opzichte waarvan meet je draaiing? Er is geen meetbaar nulpunt van de beweegsnelheid, maar wel van de draaisnelheid. Je kunt voelen hoe snel je aan het draaien bent, zelfs als je je ogen dicht houdt, maar je kunt niet voelen hoe snel je beweegt. Iemand die in een afgesloten ruimteschip zonder ramen of motor door de ruimte zweeft kan niet voelen (of meten) hoe snel hij door de ruimte beweegt, maar wel hoe snel hij (of het ruimteschip) rond zijn as draait. In je woning kun je net zo gemakkelijk een krant lezen als in een trein die 100 km/h gaat ten opzichte van je woning of als in een vliegtuig dat op vaste hoogte 1000 km/h gaat ten opzichte van je woning, maar als je tweemaal per seconde rond je eigen as draait dan kun je je krant niet meer lezen en lijken je armen van je lichaam af getrokken te worden. Er is dus geen fundamenteel verschil tussen bewegen met 1000 km/h en bewegen met 0 km/h, maar wel tussen tweemaal per seconde rond je eigen as draaien en nul maal per seconde rond je eigen as draaien.

Het blijkt dat het nulpunt van de draaisnelheid bepaald wordt door het gemiddelde van de verre sterren (en andere verre materie), afgezien van lokale relativistische effecten die alleen bij zeer extreme zwaartekracht belangrijk worden.

Als iemand die voelt dat hij rond zijn eigen as draait vrij zicht heeft op de nachtelijke hemel, dan zal hij zien dat hij ten opzichte van de sterren draait. En als iemand ziet dat hij ten opzichte van de sterren altijd dezelfde stand heeft, dan voelt die persoon geen van de effecten die horen bij het rond zijn eigen as draaien. De positie ten opzichte van de Zon (of enig ander specifiek hemellichaam) is hiervoor niet belangrijk.

Draaiing wordt altijd gemeten ten opzichte van het hele Heelal, dat wil zeggen, ten opzichte van de verre sterren of melkwegstelsels. Hoe ziet de Maan er uit gezien vanaf een verre ster? De Maan toont altijd dezelfde kant aan de Aarde, dus als de Maan aan de andere kant van de Aarde is dan de ster, dan zie je de voorkant van de Maan vanaf zowel de Aarde als de ster. Als de Maan aan dezelfde kant van de Aarde is als de ster, dan wijst de voorkant van de Maan nog steeds naar de Aarde, maar de achterkant van de Maan naar de ster, omdat de Maan dan tussen de ster en de Aarde in staat. Als de Maan weer terug is aan de andere kant van de Aarde, gezien vanaf de ster, dan heeft het een baan rond de Aarde afgemaakt, en dan wijst zijn voorkant weer naar de ster. Een waarnemer bij de ster zal zeggen dat de Maan draait, want tijdens een siderische maand heeft de waarnemer alle kanten van de Maan kunnen zien. De waarnemer ziet weer dezelfde kant van de Maan precies wanneer de Maan een baantje rond de Aarde heeft afgemaakt, dus vindt de waarnemer dat de draaiperiode van de Maan (rond zijn eigen as) gelijk is aan de baanperiode van de Maan (rond de Aarde).

Als de Maan niet rond zijn eigen as draaide, dan zou de waarnemer bij de verre ster altijd dezelfde kant van de Maan zien, maar dan zouden wij op Aarde de "voorkant" van de Maan zien als de Maan aan de andere kant van de Aarde was als de ster, en de "achterkant" als de Maan aan dezelfde kant van de Aarde stond als de ster, want dan stond de Maan tussen ons en de ster in, dus dan zouden wij tijdens een siderische maand alle kanten van de Maan zien, dus zouden wij dan vinden dat de Maan rond zijn as draaide in een siderische maand. Het kan helpen als je er een plaatje van tekent.

In de plaatjes hierboven geven de grote cirkels de baan van de Maan rond de Aarde aan, en de kleine cirkels geven de Maan aan op vier verschillende plekken in zijn baan. De schuine streep op de Maan geeft de plaats van een krater op de Maan aan.

In het linkerplaatje (A-B-C-D) draait de Maan niet om zijn as, dus de verschillende Manen zijn wel ten opzichte van elkaar verschoven, maar niet gedraaid. Ten opzichte van de Aarde (in het midden van de grote cirkel, maar niet getoond) is de krater dan aan de voorkant en dan aan de achterkant van de Maan. Als de Maan weer terug is bij A dan is de krater weer terug op dezelfde plaats (gezien vanaf de Aarde), dus de krater draait (gezien vanaf de Aarde) in dezelfde tijd rond de as van de Maan als de Maan rond de Aarde draait.

In het rechterplaatje (E-F-G-H) toont de Maan telkens dezelfde kant aan de Aarde (want het streepje wijst steeds naar de Aarde toe) en draait de Maan wel rond zijn as (die loodrecht uit het plaatje steekt), zoals misschien beter te zien is aan de vier maantjes die rechts onderaan in een rijtje staan, die dezelfde oriëntatie hebben als in het rechtsbovenste plaatje met de maanbaan. Als de Maan precies eenmaal rond de Aarde is gegaan dan is de Maan ook precies eenmaal rond zijn as gedraaid.

In het algemeen, als een maan in dezelfde richting rond zijn as draait en rond zijn planeet draait, dan is het aantal keren dat mensen op de planeet de maan rond zijn as zien draaien (dus dat ze dezelfde krater door het midden van de maanschijf zien bewegen) plus het aantal keren dat mensen bij de verre ster de Maan rond zijn as zien draaien gelijk aan het aantal baanperioden dat de Maan heeft afgemaakt (gezien vanaf de ster).

Als de maan in tegengestelde richting rond zijn as draait dan hij rond zijn planeet draait, dan is het aantal draaiingen gezien vanaf de planeet min het aantal draaiingen gezien vanaf de ster gelijk aan het aantal baanperioden.

Als de maan helemaal niet draait (gezien vanaf de ster), dan is het aantal draaiingen gezien vanaf de ster nul, dus dan geven beide gevallen hetzelfde antwoord, namelijk dat de waarnemers op de planeet een aantal draaiingen zien dat gelijk is aan het aantal baanperioden.

Wij zien altijd dezelfde kant van de Maan, dus moet de Maan in dezelfde tijd rond zijn as draaien en rond de Aarde draaien. Dit heet een 1:1 spin-baanresonantie.

Het neemt gemiddeld precies even veel tijd voor de Maan om eenmaal rond haar as te draaien als om eenmaal rond de Aarde te draaien (en in dezelfde richting), namelijk 27 dagen 7 uren en 43 minuten. Als de Maan bijvoorbeeld een kwart verder rond de Aarde gedraaid is, dan is de Maan ook een kwart rond haar as gedraaid (ten opzichte van de sterren), zodat we dan weer naar dezelfde kant van de Maan kijken als een kwart maand geleden.

De Maan draait met vaste snelheid om haar as, maar de omloopsnelheid van de Maan in haar baan rond de Aarde is niet altijd even groot. Door sommige delen van haar baan gaat de Maan wat sneller dan gemiddeld, en door andere wat langzamer dan gemiddeld. Ook wijst soms de noordpool van de Maan een beetje onze kant op en soms de zuidpool (net zoals voor de seizoenen op Aarde), en staat de Maan soms wat verder weg en soms wat dichterbij. Al met al lijkt de maan dus toch een beetje te "ja-knikken" en "nee-schudden" en ook een beetje te groeien en krimpen, maar dat zie je alleen als je van dag tot dag foto's van de Maan maakt en die vergelijkt. Dit kun je bijvoorbeeld zien op de "Astronomy Picture of the Day" voor 10 augustus 2003, op //antwrp.gsfc.nasa.gov/apod/ap030810.html.

[398]

De astronauten van de Apollo 8 en van de Apollo's 10 tot en met 17 hebben de achterkant van de Maan met hun eigen ogen gezien. Elke Apollo-missie had drie astronauten, maar drie van de astronauten gingen elk op twee van de missies, dus in totaal hebben tot nu toe 24 astronauten de achterkant van de Maan gezien. Zie //nssdc.gsfc.nasa.gov/planetary/lunar/apollo.html voor meer informatie over de Apollo-missies.

[43]

28. Namen van volle manen

Er zijn van oudsher verschillende specifieke namen voor volle manen in bepaalde seizoenen of maanden, maar die namen hebben geen officiële erkenning. Er is geen officiële lijst van namen van volle manen. Dit betekent dat iedereen een nieuwe naam kan bedenken voor een bepaalde volle maan (of elke andere maanstand). Een zelfde volle maan kan in verschillende culturen heel verschillende namen hebben. Het is bijvoorbeeld heel onwaarschijnlijk dat de naam "Steurmaan" die in de Verenigde Staten wel eens gebruikt wordt ook bekend was in gebieden waar de steur niet voorkomt.

Ik stel me voor dat de meeste eigennamen voor volle manen naar een aktiviteit verwijzen die gedaan kan worden, of naar iets eetbaars dat te vinden is, of naar een dier dat gezien kan worden rond de tijd van die volle maan, maar je kunt het echte verhaal achter een bepaalde eigennaam voor een volle maan alleen horen van de mensen die die naam bedacht hebben.

Ik had nog nooit van de "Steurmaan" (Sturgeon Moon in het engels) gehoord, maar kon er snel informatie over vinden met behulp van een populaire zoekmachine. De verklaring die er het meest gedegen uit zag was op //www.pburch.net/lunarcal.html waar gesteld wordt dat de Steurmaan de 11e volle maan na de Oogstmaan is, die zelf weer de volle maan het dichtste bij het begin van de herfst is. Meestal is de Steurmaan (in de Verenigde Staten) de laatste volle maan voor de Oogstmaan.

Volle manen met een eigennaam zijn meestal verbonden met de seizoenen. Elke volle maan heeft een iets ander karakter dan de andere volle manen, en niet alleen vanwege het verschil in landbouwaktiviteiten door de seizoenen heen. De volle maan staat recht tegenover de Zon aan de hemel, dus het pad dat de Zon in de zomer langs de hemel neemt wordt door de volle maan in de winter gevolgd, en andersom. Buiten de tropen komt de Zon in de zomer hoger aan de hemel maar blijft hij in de winter laag. Daarom komt de volle maan in de winter hoog aan de hemel, maar de volle maan in de zomer blijft laag. De volle maan valt in de winter meer op dan in de zomer, omdat in de winter de lucht 's nachts donkerder is, de nacht langer duurt, de maan hoger aan de hemel komt (en dus helderder is) en langer op blijft.

Omdat de seizoenen tegenovergesteld zijn aan beide zijden van de evenaar zijn eigennamen voor volle manen die met de seizoenen verbonden zijn (zoals Oogstmaan) van toepassing op volle manen die aan de andere kant van de evenaar een half jaar later gebeuren. De Oogstmaan bijvoorbeeld is verbonden met het begin van de herfst (wanneer er flink geoogst wordt), wat overeenkomt met september - oktober op het noordelijke halfrond maar met maart - april op het zuidelijke halfrond.

[435]

29. Naam van de Maan overdag

Voor zover ik weet is er geen speciale naam voor de Maan die je af en toe overdag kunt zien, want dat is precies dezelfde Maan die je ook soms 's nachts kunt zien. Als het geen volle of nieuwe maan is, dan kan de Maan op hetzelfde moment gezien worden vanaf plaatsen waar het dag is en vanaf plaatsen waar het nacht is.

[372]

30. Volle maan over de hele wereld

Er is maar één Maan rond de Aarde, dus alle mensen die de Maan zien zien dezelfde Maan, en als de Maan op dat moment toevallig vol is, dan zien alle mensen die de Maan zien dezelfde volle Maan.

Op elk moment kun je maar de helft van de hemel zien, want je kunt niet door de grond heen kijken. 's Nachts is de Zon in de andere helft van de hemel die je niet zien kunt omdat de grond er voor zit. Iemand die aan precies de andere kant van de Aarde is als jij ziet precies het tegengestelde deel van de hemel als jij. Als de Zon bij jou boven de horizon is, dan is de Zon bij die andere persoon onder de horizon, en vice versa, en net zo voor andere dingen aan de hemel. Dus, als jij de Maan kan zien (of die nu vol is of niet), dan kan die andere persoon de Maan niet zien, en omgekeerd.

Dus kun jij de volle Maan niet op hetzelfde moment zien als iemand aan precies de andere kant van de wereld, maar de Maan die jullie allebei op verschillende tijden zien is dezelfde Maan, en als de Maan er voor jou vol uitziet dan ziet die er ook voor die andere persoon twaalf uur later vol uit.

[39]

In sommige kranten en agenda's staan volle manen aangegeven tot op de minuut nauwkeurig. Dat is dan (waarschijnlijk) het tijdstip waarop de eclipticale lengtegraad (een zekere hemelcoördinaat) van de Maan precies 180 graden verschilt van dezelfde coördinaat van de Zon, gezien vanaf een standaardplek (misschien Utrecht, of zelfs het centrum van de Aarde). Omdat niet alle plekken op Aarde in dezelfde tijdzone liggen als Nederland is het mogelijk dat zo'n moment van volle maan op verschillende plaatsen op Aarde op verschillende data vallen (bijvoorbeeld om 23:15 op 12 maart in Nederland, wat gelijk is aan 0:15 op 13 maart in Egypte, aannemend dat de tijd in Egypte 1 uur voor loopt op de tijd in Nederland), hoewel het wel gewoon hetzelfde moment is.

Echter, de gemiddelde persoon ziet weinig verschil tussen de volle maan en de maan van een dag eerder of later, dus als de maan er vanuit Nederland op een bepaalde datum vol uit ziet, dan ziet de maan er vanuit Egypte (of elk ander land van de wereld) op dezelfde datum ook vol uit.

Het antwoord op de vraag hangt er dus een beetje van af hoe nauwkeurig je de volle maan vast legt. Als je tot op de minuut nauwkeurig wilt zijn, dan is er ten hoogste 50 procent kans dat een gegeven volle maan op twee plekken op Aarde op verschillende data vallen. Als het gaat om hoe vol de maan er op het eerste gezicht uit ziet, dan is er geen praktisch verschil tussen volle manen gezien vanuit verschillende plaatsen op Aarde.

[21]

31. De Helderheid van de Maan

Hoe helder de Maan lijkt te zijn aan de hemel hangt af van een heleboel dingen. De helderheid van de Maan verandert met het seizoen, met de maanstand (bijvoorbeeld vol of nieuw), met de hoogte van de Maan boven de horizon, en - heel belangrijk! - met de toestand van de atmosfeer (bijvoorbeeld het weer).

Er zijn tenminste twee maten voor hoe helder de Maan lijkt te zijn aan de hemel. De totale helderheid is de hoeveelheid licht die van de maanschijf als geheel komt. Dit wordt bijvoorbeeld gemeten als een magnitude. De oppervlaktehelderheid is de helderheid per ruimtehoek, ofwel de hoeveelheid licht die komt van een klein stuk van de maanschijf dat het gezichtsveld van je telescooop vult. Dit wordt bijvoorbeeld gemeten als een aantal magnituden per vierkante graad.

De helderheid van de Maan hangt af van tenminste de volgende factoren:

  1. de afstand van de Maan tot de Aarde. Deze komt per maand tot ongeveer 5% boven en onder het gemiddelde, met af en toe een uitschieter tot 7%. Hierdoor kan de totale helderheid van de Maan tot ongeveer 11% boven en onder het gemiddelde komen, met uitschieters tot pakweg 15%. De oppervlaktehelderheid wordt hierdoor niet beïnvloed.
  2. de (ruimtelijke) afstand van de Maan tot de Zon. Deze komt per jaar tot 1,7% boven en onder het gemiddelde (het kleinst in januari, het grootst in juni). Hierdoor kunnen de totale en oppervlaktehelderheid van de Maan tot 3,4% boven en onder het gemiddelde komen.
  3. de afstand van de Maan aan de hemel tot het tegenpunt van de Zon. Vanwege het "oppositieeffect" maken een paar graadjes veel uit. Op 5 graden van het tegenpunt zijn de totale en oppervlaktehelderheid van de Maan al 10% minder dan in het tegenpunt (als daar de aardschaduw niet zat, tenminste). Deze afstand heeft zelf weer twee bijdragen:
    1. de eclipticale breedtegraad van de Maan, ofwel de afstand van de Maan boven of onder de ecliptica (het pad van de Zon). Deze wijkt per maand tot ongeveer 5,5 graden af van nul, wat dan een helderheidsvermindering (totaal en oppervlakte) geeft van 11%.
    2. de afstand in tijd tot het moment van volle maan. De Maan beweegt per dag ongeveer 12 graden aan de hemel (ten opzichte van de Zon) dus als het moment van volle maan toevallig midden op de dag valt dan is het zo een uur of 6 voor of na het moment van volle maan als je de maan ziet, en dat kan weer 3 graden afstand tot het tegenpunt geven, wat dan een helderheidsvermindering (totaal en oppervlakte) geeft van 6%.

    Deze twee effecten samen kunnen een totale afstand van 6 graden en helderheidsvermindering van 12% geven.

  4. de hoogte van de Maan aan de hemel. Een deel van het maanlicht wordt geabsorbeerd of verstrooid als het door de atmosfeer van de Aarde reist, en hoe schuiner het licht door de atmosfeer komt (dus hoe lager de Maan aan de hemel staat), hoe meer lucht het tegen komt en hoe meer licht geabsorbeerd of verstrooid wordt. Ik heb geen nauwkeurige getallen voor hoeveel dit uitmaakt, maar als de Maan laag staat is het tenminste een factor 2, en waarschijnlijk nog wel meer. De hoogte van de Maan aan de hemel heeft de volgende bijdragen:
    1. de geografische breedtegraad van de waarnemer. Hoe lager de breedtegraad (noord of zuid), hoe hoger de Maan kan komen.
    2. de declinatie van de Maan. De volle maan staat (bijna) tegenover de Zon, dus is de declinatie van de volle maan het hoogst aan het begin van de winter en het laagst aan het begin van de zomer, en kan de volle maan in de winter gemiddeld 46 graden hoger komen aan de hemel dan in de zomer. De eclipticale breedtegraad van de Maan telt hier ook in mee.
    3. de afstand in tijd tot de doorgang van de Maan (wanneer de Maan het hoogst aan de hemel staat). Als \(b\) de geografische breedtegraad is dan kan de Maan in het gunstigste geval (aan het begin van de winter) tot 119 − \(b\) graden hoogte komen, en in het ongunstigste geval (aan het begin van de zomer) niet hoger dan 61 − \(b\) graden hoogte komen. Voor \(b\) = 51 graden (ongeveer Nederland, België, zuid-Canada) zijn de grenzen 10 graden en 68 graden.

  5. de kleur waarin de Maan bekeken wordt. Blauw licht wordt sneller verstrooid dan rood licht, en ook worden verschillende kleuren waarschijnlijk niet allemaal even goed geabsorbeerd door stof of lucht. Dit is in de praktijk alleen van belang als de Maan laag aan de hemel staat.
  6. de atmosferische gesteldheid (smog, stof, wolken). Dit heeft uiteraard grote invloed, en nog het meeste nabij de horizon.

Voor de grootste totale helderheid van de volle maan moet je de volgende combinatie van factoren hebben: bekijk de Maan net voor of na een maansverduistering (dus het dichtste aan de hemel bij het tegenpunt van de Zon maar zonder in de schaduw van de Aarde te zijn) rond lokale middernacht rond kerstmis, gezien vanaf ongeveer 23 graden noorderbreedte, van grote hoogte.

Voor de grootste oppervlaktehelderheid zijn dezelfde factoren van belang, behalve dat de afstand van de Maan tot de Aarde daarvoor niet uitmaakt.

Als het je gaat om het grootste helderheidscontrast met de hemel zelf, dan gaat het om de oppervlaktehelderheid, en dan is ook de helderheid van de hemel van belang. Die is hoger als er meer verstrooid licht is, dus als de Maan laag aan de hemel staat, en ook als het korter na zonsondergang of voor zonsopgang is. Voor het grootste helderheidscontrast met de hemel moet je de volle Maan dus hoog aan de hemel waarnemen, midden in de nacht, in de winter (zodat de Maan het hoogst komt en de Zon het verste onder de horizon staat, zodat ze allebei het minste licht naar de hemelachtergrond verstrooien).

Als je de Maan op een vaste hoogte boven de horizon bekijkt, dan spelen alle factoren die met de hoogte van de Maan aan de hemel te maken hebben geen rol meer. Voor de oppervlaktehelderheid van de volle maan blijven dan alleen de afstand van de Aarde tot de Zon en de gesteldheid van de atmosfeer nog over als factoren, waarbij de laatste waarschijnlijk belangrijker is dan de eerste. Het seizoen speelt dan ook geen rol meer (behalve voor de waarschijnlijkheid van goed weer).

[163]

32. Conjuncties van de Maan met planeten

De Maan heeft ongeveer elke 27 1/3 dagen een conjunctie met een gegeven planeet. Voor een precieze datum en tijd van iets dat met de Maan te maken heeft moet je een sterrengids of planetariumprogramma gebruiken, want de beweging van de Maan valt niet voldoende nauwkeurig met eenvoudige formules uit te rekenen. Echter, als je genoegen neemt met een schatting die er een dag of twee naast kan zitten, dan is er voldoende informatie in mijn webbladzijden te vinden om dat uit te rekenen:

Kijk op de toepasselijke planeetverschijnselenpagina hoeveel uren de planeet voor loopt op de Zon. Dat kan een negatief getal zijn. Vermenigvulding dat getal met 29,5/24 = 1,23 en dan vind je ongeveer hoeveel dagen na nieuwe maan de conjunctie is. Dat kan ook een negatief getal zijn, en dan is de conjunctie zo lang voor nieuwe maan. Eerder op deze pagina legde ik uit hoe je de data van nieuwe maan kunt vinden, en dan heb je alle informatie die je nodig hebt.

Bijvoorbeeld: Wanneer is de conjunctie van de Maan met Jupiter het dichtst bij het eind van december 2003? Jupiter loopt aan het eind van december 2003 ongeveer 7,5 uur voor op de Zon, wat betekent dat de Maan dan ongeveer 7,5/24×29,5 = 9 dagen voor nieuwe maan in de buurt van Jupiter staat, dus in conjunctie met Jupiter is. Het is op 23 december 2003 nieuwe maan is, dus is de Maan rond 14 december 2003 in conjunctie met Jupiter, en ongeveer elke 27 1/3 dagen later weer.

[523]

33. Wordt de Maan heter?

De Maan krijgt bijna al haar hitte van de Zon, dus als de Zon langzaamaan helderder zou worden, dan zou de Maan (en ook de planeten) heter worden. Echter, het enige duidelijke kenmerk dat we tot nu toe ontdekt hebben in de veranderingen in de helderheid (de hoeveelheid uitgezonden energie) van de Zon is de neiging om iets te stijgen en dan weer te dalen met het aantal zonnevlekken op de Zon (en met andere maten van zonneactiviteit), met ruwweg een periode van 11 jaar. Tot nu toe is er geen duidelijke toename of afname op lange termijn vastgesteld. Als het Zonnestelsel vanwege zonneactiviteit op een gegeven moment wat warmer is dan gemiddeld, dan verwachten we dat het even later weer wat afkoelt wanneer de zonneactiviteit weer afneemt zoals gewoonlijk. Zie //nl.wikipedia.org/wiki/Zon#Zonneactiviteit.

Voor zover ik weet meet niemand regelmatig de temperatuur op de Maan. Ik denk niet dat er nu (2007) werkende thermometers op de Maan zijn. Men kan de temperatuur afleiden uit metingen van infrarode straling van de Maan, maar die zijn vanaf de Aarde moeilijk te maken en zulke metingen zeggen natuurlijk niets over de temperaturen aan de achterkant van de Maan.

De temperatuur op de Maan varieert met de tijd en met de plaats, net als op Aarde, maar de "dag" duurt op de Maan een stuk langer dan op Aarde, dus kan een plek op de Maan veel langer opwarmen als de Zon op is, en veel langer afkoelen als de Zon onder is. De temperatuur op de Maan kan variëren tussen ongeveer −200 en +120℃.



[AA]

[vorige][volgende]


talen: [en] [nl]

//aa.quae.nl/nl/antwoorden/maan.html;
Laatst vernieuwd: 2017-04-24